ECLI:NL:OGEAM:2019:96

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
7 oktober 2019
Zaaknummer
SXM201900927
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvHR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:AT9060Art. 49 procesreglement
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking conservatoir derdenbeslag wegens belangenafweging huurvordering bedrijfsruimte

In deze kortgedingzaak vordert eiseres opheffing van conservatoir derdenbeslag dat gedaagde heeft gelegd op haar banktegoeden vanwege een huurvordering uit hoofde van een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte in Maho Bay.

Eiseres stelt dat de vordering uitsluitend jegens een andere huurder (x) geldt en niet jegens haar, omdat zij een aparte huurovereenkomst heeft voor bedrijfsruimte aan The Boardwalk. Gedaagde voert verweer en stelt dat eiseres onder dezelfde handelsnaam (c) handelt als de huurder van de bedrijfsruimte in Maho, en dat de vordering dus ook jegens haar kan gelden.

Het Gerecht oordeelt dat niet summierlijk van ondeugdelijkheid van de vordering jegens eiseres is gebleken, mede omdat meerdere vennootschappen onder dezelfde handelsnaam handelen en het in de bodemprocedure moet worden vastgesteld welke vennootschap huurder is. Het beslag wordt echter beperkt tot een bedrag van US $64.023,04, waarbij een belangenafweging is gemaakt tussen het belang van gedaagde om verhaal te hebben en het belang van eiseres om haar onderneming voort te zetten.

Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag wordt beperkt tot US $64.023,04 en het overige beslag opgeheven.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM201900927
Vonnis in kort geding van 20 september 2019
inzake
(eiseres),
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigden: mr. M.O. Kortenoever en mr. F.K. Kutluer,
tegen
(gedaagde)
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K. Huisman.
Partijen zullen hierna ‘(eiseres)’ en ‘(gedaagde)’ worden genoemd.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Op 27 augustus 2019 heeft (eiseres) een kort geding verzoekschrift met producties ingediend. Mr. Huisman heeft bij brief van 12 september 2019 producties in het geding gebracht. Mr. Kutluer heeft bij brief van 12 september 2019 een aanvullende productie in het geding gebracht. Op 13 september 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de gemachtigden en de heer (a) van (eiseres) zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd en de gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Op grond van een op 5 augustus 2019 door het Gerecht verleend verlof heeft (gedaagde) ten laste van (eiseres) conservatoir derdenbeslag gelegd onder (bank). Dit beslag kleeft. Uit een verklaring derdenbeslag blijkt namelijk dat (eiseres) bij de genoemde bank credit saldi aanhoudt van euro 7,00 en US $ 85.657,17.
2.2.
Het beslag is gelegd voor een vordering uit hoofde van een huurovereenkomst tussen (gedaagde) als verhuurder en ‘(c)’ als huurder ter zake van de bedrijfsruimte ‘Unit #17/#18 front store and storage space in Maho Bay’ ter zake van achterstallige huur en kosten utiliteiten.
2.3.
De huurovereenkomst is in elk geval met ingang van 30 april 2018 geëindigd. De deposit/waarborgsom van US $ 4.600,00 heeft (gedaagde) niet geretourneerd.

3.Het geschil

3.1. (
eiseres) vordert -zakelijk weergegeven- dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het beslag opheft onder veroordeling van (gedaagde) in de kosten van het geding.
3.2. (
eiseres) legt aan haar vordering ten grondslag dat (gedaagde) ter zake van de bovenvermelde bedrijfsruimte in Maho Bay met (x). (hierna ook: “(x)”) een huurovereenkomst heeft gesloten en niet met (eiseres). Als (gedaagde) nog een vordering uit hoofde van deze huurovereenkomst heeft, dient (gedaagde) (x) aan te spreken. (eiseres) heeft een huurovereenkomst gesloten met (y) ter zake van bedrijfsruimte aan ‘The Boardwalk’ en wel met ingang van februari 2019.
3.3. (
gedaagde) voert gemotiveerd verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering is gegrond op de bepaling van artikel 705 Rv Pro. Het Gerecht is bevoegd om in kort geding over de vordering te oordelen.
4.2.
Het Gerecht stelt voorop dat een conservatoir beslag dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt (vergelijk artikel 705 lid 2 Rv Pro). Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van diegene die de opheffing vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure. De kortgedingrechter zal daarbij hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. In deze beoordeling dient een belangenafweging te worden betrokken. Opgemerkt wordt dat het conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt te waarborgen dat verhaal mogelijk zal zijn, voor een vordering die nog niet vaststaat en in de hoofdzaak nog dient te worden toegewezen. Daarnaast behoort tot de aard van het conservatoir beslag dat de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken. Het oordeel of het beslag deugdelijk of ondeugdelijk is gelegd, is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel van de kortgedingrechter. Voor de motivering gelden minder strenge eisen dan die aan de motivering van de beslissing in de bodemprocedure worden gesteld. Uit HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:AT9060 volgt voorts dat een belangafweging kan meebrengen dat hoewel de vordering vooralsnog geheel onbewezen is het beslag desondanks gehandhaafd blijft. Het Gerecht is bevoegd om op grond van een belangafweging de vordering tot opheffing van het beslag in zo’n geval af te wijzen zelfs indien de vordering in eerste aanleg in de bodemzaak is afgewezen en de beslaglegger hoger beroep tegen de afwijzing heeft ingesteld [1] . Ook is het Gerecht bevoegd om na een belangenafweging het beslag op te heffen hoewel voorshands van de deugdelijkheid van de vordering van de beslaglegger is gebleken.
4.3.
Kern van het betoog van (eiseres) is dat (gedaagde) een eventuele huurvordering op (x) heeft maar niet op (eiseres). (x) huurde namelijk de bedrijfsruimte in Maho en niet (eiseres). (eiseres) huurt de bedrijfsruimte aan ‘The Boardwalk’ en zij heeft niets te maken met ‘( c )’. (eiseres) handelt aldaar onder de naam ‘(z)’.
4.4.
Voorshands staat vast dat (gedaagde) de huurovereenkomst heeft gesloten met ( c ) ’. Op de schriftelijke huurovereenkomsten prijkt telkenmale de naam ‘( c )’ als huurder. Verder is voorshands komen vast te staan dat meerdere vennootschappen handelen onder de naam ‘( c ) ‘. Ook (eiseres) heeft gehandeld onder de naam ‘ ( c ) ’. Immers, (eiseres) heeft ‘ ( c ) ’ winkels uitgebaat op het (…) (vergelijk productie 2 van het verzoekschrift tot leggen van conservatoir beslag). Dat deze handelsnaam niet op het uittreksel van het handelsregister is vermeld, is naar het oordeel van het Gerecht niet beslissend. Uit produktie 15 van dit verzoekschrift blijkt dat (eiseres) nog steeds de naam ‘ ( c )’ gebruikt: het Gerecht wijst op de kassabon en het betalingsbewijs. Voor zover (eiseres) beweert niet onder de naam ‘( c ) ’ te handelen, passeert het Gerecht deze stelling dan ook. Niet alleen in het verleden maar ook nu nog handelt (eiseres) onder deze naam.
4.5.
Op grond van het voorgaande kan niet met recht worden gesteld dat een eventuele huurvordering uit hoofde van de voormelde huurovereenkomst uitsluitend tegen (x) had kunnen worden ingesteld te meer niet omdat uit productie 12 van het verzoekschrift volgt dat eerst (vanaf 2011) (x) de huurbetalingen aan (gedaagde) deed, maar later (vanaf halverwege 2013) ‘( c ) ’ dat deed, terwijl vanaf mei 2013 een nieuw huurovereenkomst tot stand is gekomen met wederom ‘( c ) ’ als huurder. De vraag waarom de naam van de huurder is gewijzigd is onbeantwoord gebleven maar het Gerecht kan niet uitsluiten dat ook daadwerkelijk een andere (rechts-)persoon, waaronder (eiseres), deze bedrijfsruimte van (gedaagde) is gaan huren.
4.6.
Op grond van het voorgaande is het Gerecht voorshands van oordeel dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering op (eiseres) is gebleken: het is immers zeer wel mogelijk dat achter de (handels-)naam ‘( c ) ’ de rechtspersoon ( eiseres) schuilgaat en jegens haar als huurder van de bedrijfsruimte in Maho de huurvordering geldend moet worden gemaakt. In de bodemprocedure dient te worden vastgesteld welke vennootschap schuilgaat achter de naam ‘( c ) ’ voor zover het betreft de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte in Maho Bay. In dit kort geding kan zulks niet worden vastgesteld (vergelijk ook sub 4.2. van dit vonnis)
4.7.
Alle verweren betreffende ‘vereenzelviging’, ‘misbruik van identiteitsverschil’ en ‘de doorbreking van vennootschapsrechtelijke structuur’ kunnen op grond van het voorgaande (verder) onbesproken blijven.
4.8.
Het Gerecht is bevoegd het beslag op grond van een belangenafweging op te heffen hoewel voorshands van de deugdelijkheid van de vordering moet worden uitgegaan. Het Gerecht zal het belang om verhaal te hebben voor de huurvordering dienen af te wegen tegen het belang van ( eiseres) om de onderneming aan ‘The Boardwalk’ te kunnen continueren. Dat het beslag de continuïteit van de onderneming in gevaar kan brengen, is niet dan wel onvoldoende weersproken zodat het Gerecht hiervan zal uitgaan. Hiertoe dient het volgende.
4.9.
Voorshands staat vast dat (i) de huurvordering van ( gedaagde) US $ 53.848,49 inclusief rente en kosten bedraagt en (ii) ( gedaagde) de deposit van US $ 4.600,00 niet heeft geretourneerd. Het Gerecht gaat voorbij aan de schadevordering van US $ 12.207,92 omdat niet gebleken is waarom de huurder voor deze schade aansprakelijk is. Voorshands gaat het Gerecht dan ook uit van een aan ( gedaagde) verschuldigde som van US $ 49.248,49.
4.10.
Het Gerecht is dan ook op grond van het voorgaande van oordeel dat een belangafweging dient mee te brengen dat ( gedaagde) zijn beslag dient te beperken tot het bedrag van US $ 64.023,04 (US $ 49.248,49 te vermeerderen met 30% [2] = US $ 14.774.55). Het Gerecht zal op grond van het voorgaande het beslag beperken tot het bedrag van US $ 64.023,04 en overigens het beslag opheffen. Ook het proportionaliteitsvereiste dient zulks mee te brengen.
4.11. (
eiseres) zal als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van (gedaagde) tot op heden begroot op:
- salaris gemachtigde NAfl. 1.000,00.
4.12.
Het Gerecht zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

Het Gerecht:
rechtdoende in kort geding:
5.1
beperkt het op 9 augustus 2019 in opdracht van (gedaagde) ten laste van (eiseres) onder (bank) gelegde beslag tot het bedrag van US $ 64.023,04 en heft overigens dit beslag op;
5.2
veroordeelt (eiseres) in de proceskosten, aan de zijde van (gedaagde) tot op heden begroot op NAfl. 1.000,00;
5.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.T.M. Luijks, rechter, en op 20 september 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.vergelijk bijvoorbeeld HR 30 juni 2006,
2.vergelijk artikel 49 van Pro het procesreglement;