Eisers vorderden in kort geding een verbod op de openbare veiling van twee onroerende zaken en opheffing van de daarop gelegde executoriale beslagen. De veiling was aangekondigd vanwege een leningachterstand bij gedaagde sub 1 en het executoriale beslag was gelegd door gedaagde sub 2. Eisers stelden dat gedaagde sub 2 misbruik van bevoegdheid maakte met het beslag en dat de veiling de onderhandelingen over herfinanciering frustreerde.
Het Gerecht oordeelde dat eisers vanaf 2015 in verzuim waren en dat gedaagde sub 1 meerdere pogingen had gedaan om executie te voorkomen. De onderhandelingen met gedaagde sub 2 waren inmiddels gestaakt vanwege het ontbreken van een acceptabel voorstel van eisers. Het Gerecht vond geen aanwijzingen voor misbruik van bevoegdheid door gedaagde sub 2 en achtte het rechtmatig dat beslag werd gelegd en de veiling werd voortgezet.
De vorderingen tot verbod van de veiling en opheffing van de beslagen werden daarom afgewezen. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken door rechter Luijks op 19 februari 2020.