ECLI:NL:OGEAM:2020:9

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
Lar 11/2020, SXM 202000124
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige tewerkstellingsvergunning wegens onzekerheid over bezwaar

Verzoekster heeft een tewerkstellingsvergunning aangevraagd voor een Executive Sous Chef, welke werd afgewezen wegens het ontbreken van bewijs van vakbekwaamheid. In bezwaar heeft verzoekster aanvullende stukken ingediend om dit te onderbouwen. Omdat de bezwaarprocedure nog loopt en de minister eerst inhoudelijk moet beoordelen of aan alle voorwaarden is voldaan, kan het gerecht nog geen oordeel geven over de kans van slagen van het bezwaar.

Verzoekster vroeg daarom om een voorlopige voorziening om de tewerkstellingsvergunning tijdelijk toe te kennen totdat het bezwaar is afgerond. Het gerecht oordeelde dat het spoedeisend belang voldoende aanwezig is, maar dat het verzoek niet kan worden toegewezen omdat de bezwaarprocedure een volledige heroverweging inhoudt en het nog onduidelijk is of aan alle voorwaarden wordt voldaan.

Het gerecht benadrukte dat er geen grond is om vooraf aan te nemen dat de vergunning zal worden verleend, wat noodzakelijk is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen. De uitspraak is gedaan door rechter P.P.M. van der Burgt en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening voor een tijdelijke tewerkstellingsvergunning wordt afgewezen omdat nog geen oordeel kan worden gegeven over de kans van slagen van het bezwaar.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
BESLISSING
op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake:
(a)
,
gevestigd te Sint Maarten,
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.P. SOONS,
tegen
DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, SOCIALE ONTWIKKELING EN ARBEID,
gevestigd te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.O. Muller.

1.Aanduiding bestreden beschikking

1.1.
De beschikking van verweerder van 6 november 2019 (uitgereikt op 20 november 2019), waarbij de aanvraag van verzoekster voor een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de heer (b), is afgewezen.

2.Procesverloop

2.1.
Namens verzoekster is op 30 januari 2020 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een verzoekschrift (met producties) als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) ingediend.
2.2.
Mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 februari 2020. Namens partijen zijn beide gemachtigden voornoemd verschenen. Beiden hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
2.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

3.Het geschil

3.1.
De volgende feiten staan vast. Verzoekster heeft op 1 oktober 2019 een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de heer (b) aangevraagd, omdat zij hem wil aanstellen in de functie van Executive Sous Chef. Die aanvraag is op 6 november 2019 afgewezen, omdat verzoekster niet de vereiste bewijzen voor vakbekwaamheid had overgelegd. Van die afwijzing is verzoekster op 13 december 2019 in bezwaar gekomen. Zij heeft op 20 januari 2020 in bezwaar nadere stukken overgelegd om de vakbekwaamheid te bewijzen. Op 25 februari 2020 zal de hoorzitting in bezwaar plaatsvinden.
3.2.
Verzoekster vraagt bij wijze van voorlopige voorziening aan haar een tijdelijke tewerkstellingsvergunning ten behoeve van de heer (b) te verlenen totdat de Minister een beslissing neemt op het bezwaar met bepaling dat als het bezwaar ongegrond wordt verklaard deze voorziening in stand blijft totdat - kort gezegd- uiteindelijk onherroepelijk op de aanvraag is beslist.
3.3.
Verzoekster legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.
Het is juist dat door verzoekster is verzuimd bij de aanvraag de bewijzen voor vakbekwaamheid over te leggen. Inmiddels heeft verzoekster in bezwaar wel die bewijzen overgelegd. Het eerdere verzuim is daarmee dan ook hersteld. Verzoekster kan echter de uitkomst in de bezwaarprocedure niet afwachten, omdat zij onderbemand is en omdat zij vreest dat de heer (b) in de tussentijd een andere baan zal vinden.
3.4.
Verweerder voert daartegen gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing.
3.5.
Voor zover relevant zal op de standpunten van partijen hierna onder de beoordeling nader worden ingegaan.

4.Beoordeling

4.1.
Het Gerecht overweegt en oordeelt voorshands als volgt.
4.2.
Het spoedeisend belang wordt voldoende aanwezig geacht.
4.3.
Het verzoek komt echter niet voor toewijzing in aanmerking. Reden is dat er in dit stadium van de procedure simpelweg nog geen oordeel geveld kan worden over de vraag of het bezwaar al dan niet een redelijke kans van slagen heeft. De beslissing in primo bevat een afwijzing, reeds omdat door gebrek aan bewijs niet was gebleken van de benodigde vakbekwaamheid. Mogelijk heeft verzoekster dat verzuim in bezwaar inmiddels hersteld, maar of ook aan de andere voorwaarden voor een tewerkstellingsvergunning is voldaan, is nog onduidelijk. Verweerder stelt terecht dat zij in de gelegenheid dient te worden gesteld daartoe het bezwaar eerst inhoudelijk te beoordelen. Daarbij dient door verweerder dus niet alleen te worden onderzocht of de in bezwaar aangeleverde bewijzen van vakbekwaamheid voldoen, maar ook of er in bezwaar, behalve de kwalificaties, nog andere weigeringsgronden aan de orde zijn. De bezwaarprocedure betreft immers een volledige heroverweging.
4.4.
In hetgeen verzoekster verder naar voren heeft gebracht, is geen grond te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat een tewerkstellingsvergunning zal worden verleend, hetgeen voor het treffen van een verstrekkende voorziening, zoals verzocht, evenwel is aangewezen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5.De beslissing

Het Gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 14 februari 2020.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.