ECLI:NL:OGEAM:2021:64

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
2 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
Lar 56/2021, SXM202100668
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 Lar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing verwijderingsbeschikking ongewenst vreemdeling Sint Maarten wegens ontbreken nadere motivering

Verzoeker, een Guyaanse nationaliteit, werd op 31 oktober 2020 zonder geldig visum en met een overschreden toeristenperiode van circa 20 jaar toegelaten tot Sint Maarten onder een wekelijkse meldplicht en inlevering van zijn paspoort. Hij werd aangespoord een verblijfsvergunning aan te vragen, maar zijn aanvraag werd geweigerd wegens het ontbreken van kleurenkopieën van zijn paspoort, die hij niet kon maken omdat zijn paspoort in beslag was genomen.

Op 12 mei 2021 werd tegen verzoeker een verwijderingsbeschikking uitgevaardigd waarin hij werd aangemerkt als ongewenst vreemdeling en werd bevolen binnen 30 dagen te vertrekken. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om schorsing van deze beschikking totdat het beroep onherroepelijk is beslist.

Het Gerecht oordeelde dat de verwijderingsbeschikking zonder nadere motivering is gegeven, terwijl verzoeker zich aan zijn meldplicht hield en de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet kon voltooien door het ontbreken van het paspoort. De verwijderingsbeschikking werd daarom als onbegrijpelijk beoordeeld en het verzoek tot voorlopige voorziening werd toegewezen.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van NAf 1.550,00. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De verwijderingsbeschikking wordt geschorst totdat het beroep onherroepelijk is beslist.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
BESLISSING
op het verzoek tot schorsing en/of het treffen van een voorlopige voorziening van:
[verzoeker],
verzoeker,
gemachtigde: mr. M. HOFMAN-RUIGROK,
tegen
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.A. KRAAIJEVELD.

1.Aanduiding bestreden beschikking

De verwijderingsbeschikking van verweerder van 12 mei 2021, waarbij is beschikt dat verzoeker wordt aangemerkt als ongewenst vreemdeling, dat hij per diezelfde datum in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst en dat hij binnen 30 dagen uit Sint Maarten moet worden verwijderd.

2.Procesverloop

2.1.
Namens verzoeker is op 17 mei 2021 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een verzoekschrift (met producties) als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) ingediend.
2.2.
Mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 mei 2021. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is bij gemachtigde voornoemd verschenen die op schrift gestelde pleitaantekeningen (met producties) heeft voorgedragen en overgelegd.
2.3.
Beslissing is bepaald op heden.

3.Feiten

3.1.
Verzoeker heeft de Guyaanse nationaliteit. Aan hem is op 6 augustus 2020 een vergunning afgegeven om als in het buitenland wonende directeur op te treden voor de onderneming [D] te Sint Maarten.
3.2.
Op 30 oktober 2020 heeft verzoeker Sint Maarten verlaten. Bij terugkeer op Sint Maarten op 31 oktober 2020 is aan verzoeker op de luchthaven een beschikking uitgereikt, zijnde een “decision to refuse entry”, waarin staat dat verzoeker de toegang tot Sint Maarten wordt geweigerd omdat hij niet over het vereiste visum beschikt en omdat hij de maximale verblijfsduur voor een toerist heeft overschreden, namelijk met ongeveer 20 jaar.
3.3.
Vervolgens is verzoeker wel feitelijk tot Sint Maarten toegelaten. Daarbij is hem een wekelijkse meldplicht opgelegd. Ook is zijn paspoort in beslag genomen. De Immigratie- en Grensbewakingsdienst hebben verzoeker erop gewezen dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning moet doen.
3.4.
Tegen de “decision to refuse entry” heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Daarop is verzoeker op 29 april 2021 gehoord. Bij die gelegenheid is afgesproken dat verzoeker zich vooralsnog zal blijven melden, dat aanstalten wordt gemaakt met de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verzoeker en dat de adviescommissie het ertoe zal leiden dat het paspoort van verzoeker beschikbaar wordt gesteld in het kader van die in te dienen aanvraag.
3.5.
Op 12 mei 2021 is de bestreden verwijderingsbeschikking gegeven. Daartegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Niettegenstaande de tekst van de bestreden beschikking is verzoeker niet in vreemdelingenbewaring geplaatst.
3.6.
Het bezwaar tegen de “decision to refuse entry” is bij beslissing van 19 mei 2021 ongegrond verklaard.

4.Het verzoek en de standpunten van partijen

4.1.
Het verzoek strekt ertoe de bestreden beschikking te schorsen en geschorst te houden totdat onherroepelijk op het beroep tegen die bestreden beschikking is beslist.
4.2.
Verzoeker stelt daartoe het volgende. Verzoeker is op 31 oktober 2020 met een meldplicht en tegen inlevering van zijn paspoort toegelaten tot Sint Maarten, waarbij hij uitdrukkelijk in staat is gesteld een aanvraag tot een verblijfsvergunning te doen. Verzoeker heeft zich wekelijks gemeld en getracht een verblijfsvergunning aan te vragen. Dat laatste is nog niet gelukt, omdat verzoeker bij de aanvraag kleurenkopieën van zijn paspoort moet voegen. Die heeft hij niet en kan hij ook niet maken, omdat zijn paspoort is ingenomen door verweerder. Door verzoeker is herhaalde malen bij de Immigratiedienst gevraagd zijn paspoort voor het maken van die kleurenkopieën ter beschikking te stellen dan wel hem die kopieën te geven, maar aan die verzoeken is geen gehoor gegeven. De aanvraag verblijfsvergunning met (wel voorhanden) zwart-wit kopieën is door de Immigratiedienst geweigerd. Met de toezegging dat verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld een aanvraag voor een verblijfsvergunning te doen is bij verzoeker het vertrouwen gewekt dat hij daartoe ook daadwerkelijk in de gelegenheid wordt gesteld en dat hij dat vanaf Sint Maarten kan doen. De verwijderingsbeschikking is daarmee strijdig.
4.3.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan voor zover dat voor de beoordeling relevant is.

5.De beoordeling

5.1.
Het Gerecht overweegt en oordeelt voorshands als volgt.
5.2.
Vast staat dat verzoeker geen visum had bij aankomst op Sint Maarten op 31 oktober 2021. Vast staat ook dat verzoeker zijn maximale toeristenperiode ruimschoots had overschreden. Vervolgens is hij tóch toegelaten, met een meldplicht en onder inname van zijn paspoort. Vast staat verder dat verzoeker zich aan zijn meldplicht heeft gehouden. Vast staat voorts dat hem is medegedeeld dat hij een aanvraag verblijfsvergunning moet doen. Ten aanzien van die aanvraag is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker met de hulp van zijn huidige gemachtigde een aanvraag verblijfsvergunning heeft ingevuld en heeft voorzien van zwart-wit kopieën van zijn paspoort en dat deze aanvraag in december 2020 bij de balie van de immigratiedienst is aangeboden doch geweigerd vanwege het ontbreken van kleurenkopieën van het paspoort. Dat daarbij door de immigratiedienst de procesregels in de eigen Richtlijnen van verweerder onder 3.5 zijn gevolgd, is door verweerder niet gesteld en overigens niet gebleken. De impasse van het niet voorhanden hebben van kleurenkopieën ten behoeve van de aanvraag is aan de orde gekomen op de hoorzitting van 29 april 2021, waarbij de adviescommissie aangeeft het ertoe te leiden dat het paspoort van verzoeker beschikbaar wordt gesteld in het kader van de in te dienen aanvraag. Om dan vervolgens op 12 mei 2021 opeens een verwijderingsbeschikking uit te vaardigen op de grond dat verzoeker op 31 oktober 2020 geen geldig visum had en de toeristentermijn had overschreden, is zonder nadere motivering – die ontbreekt - onbegrijpelijk. Het beroep tegen de bestreden beschikking wordt dan ook geacht een redelijke kans van slagen te hebben.
5.3.
Op grond van het voorgaande komt het verzoek voor toewijzing in aanmerking.
5.4.
Er is aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. Met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht worden de proceskosten bepaald op NAf 1.550,00, zijnde NAf 1.400,00 aan salaris gemachtigde (1 punt van NAf 700,00 voor het verzoekschrift en een punt van NAf 700,00 voor de mondelinge behandeling) en NAf 150,00 aan griffierecht.
6.
De beslissing
Het Gerecht:
Schorst het bestreden besluit totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist.
Veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure en bepaalt dat het land Sint Maarten aan verzoeker zal betalen een bedrag van NAf 1.550,00, waaronder NAf 1.400,00 voor salaris gemachtigde en NAf 150,00 vanwege het griffierecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 2 juni 2021.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.