Uitspraak
,
1.Aanduiding bestreden beschikking
2.Het verloop van de procedure
3.Feiten
4.Het geschil
De beoordeling
De beslissing
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De minderjarige, van Guyaanse nationaliteit, had sinds december 2018 rechtmatig verblijf bij haar ouders in Sint Maarten. Na aanvraag van verlenging van de vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv) in oktober 2020, wees de Minister van Justitie deze aanvraag in maart 2021 af. Eisers, de ouders en wettelijke vertegenwoordigers, tekenden bezwaar aan, dat eveneens ongegrond werd verklaard.
In de procedure bij het Gerecht in eerste aanleg werd vastgesteld dat de Minister de aanvraag afwees mede vanwege onwaarheden in werkgeversverklaringen en intrekking van verblijfsvergunningen van gezinsleden. Het Gerecht oordeelde dat deze werkwijze onjuist was, mede omdat eerdere uitspraken het belang van het recht op gezinsleven en een eerlijke belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro benadrukten.
Het Gerecht stelde dat de Minister ook de inkomsten van de ouders en het feit dat zij geen beroep deden op de openbare kas tijdens de Covid-pandemie in de beoordeling moest betrekken. Tevens werd gewezen op eerdere jurisprudentie die het onderscheid in arbeidsbeperkingen tussen partners van Nederlanders en niet-Nederlanders als disproportioneel bestempelde.
Op basis hiervan verklaarde het Gerecht het beroep gegrond, vernietigde de bestreden beschikking en bepaalde dat de Minister binnen acht weken een nieuwe beschikking moet nemen. Tevens werd de Minister veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eisers.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de vergunning tot tijdelijk verblijf is gegrond verklaard en de beschikking vernietigd.