ECLI:NL:OGEAM:2023:20

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
31 maart 2023
Publicatiedatum
5 april 2023
Zaaknummer
SXM202200358- Lar 83/2022
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 LTUArt. 26A LTUArt. 5 EVRMArtikel 7 Landsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vreemdelingenbewaring en verwijderingsbeschikking wegens onrechtmatigheden

Eiseres, een Haïtiaanse vrouw, werd op 27 januari 2022 staande gehouden en in vreemdelingenbewaring geplaatst vanwege het ontbreken van verblijfspapieren. De minister van Justitie legde haar een maatregel van vreemdelingenbewaring en een verwijderingsbeschikking op. Eiseres stelde dat deze maatregelen onrechtmatig waren en vorderde schadevergoeding.

Het Gerecht oordeelde dat de verwijderingsbeschikking niet rechtmatig was uitgereikt, aangezien eiseres deze pas op 20 februari 2022 ontving terwijl de beschikking dateerde van 31 januari 2022. Bovendien was eiseres voorafgaand aan de beschikking niet gehoord, wat een schending van de hoorplicht betekent. De maatregel van vreemdelingenbewaring vertoonde meerdere procedurele gebreken, waaronder onjuiste datums en tijdstippen, het ontbreken van een rechtsgeldige uitreiking en het niet tijdig opmaken van een proces-verbaal van horen.

Gezien deze ernstige en opeenstapeling van gebreken achtte het Gerecht de vrijheidsontneming onrechtmatig. Op grond van artikel 26A van de Landsverordening toelating en uitzetting kende het Gerecht eiseres een schadevergoeding toe van NAf 2.720,- voor de periode van onrechtmatige detentie van 34 dagen. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend. Het beroep werd gegrond verklaard en de bestreden beschikkingen vernietigd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van vreemdelingenbewaring en verwijderingsbeschikking worden vernietigd en een schadevergoeding van NAf 2.720,- wordt toegekend.

Uitspraak

Uitspraakdatum: 31 maart 2023
Zaaknummer: SXM202200358-LAR00083/2022
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
[eiseres],
eiseres,
gemachtigde: mr. B.B. BROOKS,
tegen
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA,

1.Aanduiding bestreden beschikking

De beschikkingen van verweerder waarbij aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op 27 januari 2022 is opgelegd en de verwijderingsbeschikking van verweerder van 31 januari 2022, waarbij is beschikt dat eiseres wordt aangemerkt als ongewenst vreemdeling, dat zij per diezelfde datum in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst en dat zij binnen 4 weken uit Sint Maarten moet worden verwijderd.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Met een op 14 maart 2022 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend pro forma beroepschrift (met producties) heeft eiseres tegen voormelde beschikkingen beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van Pro de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Op 23 juni 2022 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.2.
Op 6 februari 2023 heeft verweerder een zestal producties overgelegd.
2.3.
Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 februari 2023. mr. A. Richardson is als gemachtigde verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde. Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
2.4.
Uitspraak is (nader) bepaald op heden.

3.Feiten

3.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Haïtiaanse nationaliteit.
3.2.
Eiseres is op 27 januari 2022 staande- en aangehouden omdat zij geen bewijs van verblijf of identiteitskaart kon tonen.
3.3.
Eiseres is de maatregel van bewaring opgelegd en eiseres heeft vanaf 27 januari 2022 in vreemdelingenbewaring verbleven. Op 2 maart 2022 is eiseres in vrijheid gesteld en is aan haar een meldplicht opgelegd.

4.Het geschil

4.1.
Eiseres heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking van bewaring te vernietigen en een schadevergoeding vast te stellen van NAf 1.000,- per dag voor de periode van onrechtmatige detentie.
4.2.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4.3.
Op de standpunten van partijen wordt voor het overige hierna zo nodig nader ingegaan.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de staandehouding

5.1.
Op 27 januari 2022 is eiseres staande- en aangehouden omstreeks 13:45 uur. Het proces-verbaal van staandehouding vermeldt dat eiseres is staande gehouden “bij Philipsburg Board walk” in het kader van vreemdelingentoezicht. Uit de Ministeriele verwijderingsbeschikking blijkt voorts dat de aanhouding geschiedde in het kader van een multidisciplinaire actie op de boardwalk. Dat eiseres verklaart dat zij in de buurt van [a] op Frontstreet is staandegehouden maakt niet dat de staande- en aanhouding onrechtmatig zijn. Immers, eiseres heeft haar stelling omtrent de plaats van haar aanhouding niet nader onderbouwd en ook overigens valt niet in te zien dat hetgeen zij heeft aangevoerd zou kunnen leiden tot de conclusie dat de staandehouding onrechtmatig is. Het Gerecht gaat uit van hetgeen in voornoemd op ambtseed opgestelde proces-verbaal staat vermeld en waarvan de inhoud ook verder geen aanleiding geeft om aan de juistheid te twijfelen. Het Gerecht merkt evenwel op dat uit de bijgevoegde kaart blijkt dat eiseres om 12:59 uur is ingesloten, hetgeen onderschrijft wat het Gerecht in het navolgende opmerkt over de onzorgvuldige werkwijze van verweerder ten aanzien van data en tijdstippen.
Ten aanzien van de verwijderingsbeschikking.
5.2.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a en b van Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu) kan de minister van justitie personen uit Sint Maarten verwijderen die in strijd met de wettelijke bepalingen nopens toelating en uitzetting het land zijn binnengekomen of personen die tot tijdelijk verblijf werden toegelaten, wanneer zij in het land worden aangetroffen nadat de geldigheidsduur van hun tijdelijke verblijfsvergunning is verstreken of nadat de geldigheid van de vergunning door enige oorzaak is vervallen.
5.3.
De verwijderingsbeschikking is opgesteld op 31 januari 2022 en de verwijdering is bevolen op 31 januari 2022 om 08:00 uur. De beschikking is ondertekend door verweerder op 1 februari 2022. In de beschikking is opgenomen dat de maatregel op 31 januari 2022 aan eiseres is uitgereikt. De gemachtigde heeft gesteld dat eiseres de beschikking pas op 20 februari 2022 uitgereikt heeft gekregen. Verweerder heeft dit niet bestreden. Het Gerecht is van oordeel dat een rechtmatige uitreiking aldus pas op 20 februari 2022 heeft plaatsgevonden.
5.4.
In de verwijderingsbeschikking wordt bepaald dat eiseres wegens overtreding van de LTU wordt aangemerkt als ongewenst vreemdeling, dat zij in vreemdelingenbewaring wordt geplaatst ter uitzetting, dat zij binnen vier weken uiterlijk uit Sint Maarten moet worden verwijderd en dat zij een inreisverbod krijgt opgelegd van 3 jaren.
5.5.
Het Gerecht stelt vast dat eiseres voorafgaand aan het opleggen van de verwijderingsbeschikking niet is gehoord. In het dossier bevindt zich geen proces-verbaal van horen waaruit blijkt dat eiseres is gehoord voorafgaand aan de datum ondertekening door verweerder, namelijk 1 februari 2022. Het Gerecht is van oordeel dat, mede in het licht van hetgeen eiseres in deze procedure naar voren heeft gebracht over de situatie in haar land van herkomst, verweerder niet heeft kunnen afzien van de horen. Uit de beschikking blijkt slechts van de constatering dat eiseres niet over legaal verblijf beschikt. Gezien het hiervoor overwogene acht het Gerecht dit een onvoldoende motivering. De beschikking kan dan ook niet in stand blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de verwijderingsbeschikking zal worden vernietigd.
Ten aanzien van de vreemdelingenbewaring:
5.6.
Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Ltu kan de betrokkene, indien hij naar het oordeel van de minister gevaar oplevert voor de openbare orde, de publieke rust of veiligheid of de goede zeden, dan wel indien naar zijn oordeel gegronde vrees bestaat dat betrokkene zal trachten zich aan zijn verwijdering te onttrekken, op bevel van de minister ter verzekering van zijn verwijdering in bewaring worden gesteld. Ingevolge het derde lid van dit artikel geschied verwijdering en inbewaringstelling krachtens een met redenen omkleed bevelschrift, dat aan betrokkene in persoon wordt uitgereikt.
5.7.
Ingevolge artikel 12.4. van de Richtlijnen van verweerder wordt de beslissing tot inbewaringstelling genomen door verweerder of een daartoe gemandateerde immigratiefunctionaris, te weten: een hulpofficier van justitie belast met vreemdelingenzaken of een van de daartoe op grond van de Ltu gemandateerde personen. Verweerder dan wel genoemde hulpofficier of gemandateerde persoon toetst door middel van het horen van de vreemdeling of de maatregel van inbewaringstelling kan worden opgelegd. Na het horen van de vreemdeling wordt een kopie van het bevelschrift tot inbewaringstelling uitgereikt. Het bevel moet met redenen omkleed zijn.
5.8.
De maatregel van bewaring vermeldt dat deze is opgesteld op 27 januari 2022 en dat de maatregel is opgelegd op 22 januari 2022 om 12:30. De maatregel is op 1 februari 2022 door verweerder ondertekend. Voorts vermeld de maatregel dat deze is uitgereikt op 27 januari 2022 en dat eiseres ondertekening voor ontvangst geweigerd heeft.
5.9.
Uit het proces-verbaal van horen van eiseres blijkt dat dit gehoor op 2 februari 2022 om 09:20 uur heeft plaatsgevonden en dat het proces-verbaal is ondertekend om 12:20 uur, onder de vermelding dat het gehoor op 27 januari 2022 heeft plaatsgevonden. Voorts wordt melding gemaakt dat eiseres weigerde te tekenen. Het Gerecht is van oordeel dat uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat eiseres op 27 januari 2022 om 13:45 is staande gehouden en dat het niet mogelijk is dat zij diezelfde dag om 09:20 of 12:20 uur zou zijn gehoord.
5.10.
Van een proces-verbaal van horen voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is niet gebleken. Voorts blijkt van horen van eiseres voorafgaand aan het opleggen van de maatregel ook niet uit de maatregel van bewaring. In de maatregel is weliswaar aangekruist dat kennis is genomen van de door eiseres afgelegde verklaring, echter er is niets omtrent een verklaring opgenomen. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat eiseres wel is gehoord maar dat van dat verhoor geen proces-verbaal is opgemaakt.
5.11.
Het Gerecht is van oordeel dat àls de maatregel van bewaring is uitgereikt op 27 januari 2022 het een niet ondertekende versie moet zijn geweest. Immers verweerder heeft pas op 1 februari 2022 getekend. Hiermee staat vast dat op 27 januari 2022 geen sprake was van een rechtsgeldige uitreiking en dit betekent dat er op dat moment geen sprake was van een rechtmatig door of namens verweerder gegeven bevel tot bewaring als bedoeld in artikel 19 LTU Pro. Voorts is het Gerecht van oordeel dat indien er op een later tijdstip een ondertekende versie is uitgereikt, het niet is vast te stellen wanneer deze is uitgereikt.
5.12.
Ingevolge artikel 5 van Pro het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: (onder f) in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.
5.13.
Vreemdelingen bewaring is een ingrijpende maatregel en dient slechts te worden toegepast indien er geen lichter middel mogelijk is. Een en ander dient proportioneel te zijn en de procedure dient met voortvarendheid te worden behandeld. Het Gerecht is van oordeel dat verweerder, in navolging van artikel 5 van Pro het EVRM, de procedure die geldt voor het opleggen van de maatregel van bewaring, strikt dient te volgen. Het ontnemen van iemands vrijheid is immers het meest vergaande besluit ten aanzien van een persoon dat een overheid kan treffen.
5.14.
Verweerder heeft in onderhavige zaak op meerdere momenten in strijd gehandeld met de eigen Richtlijnen. In deze zaak blijkt ook van een vergaande onzorgvuldigheid van verweerder voor wat betreft vermelde tijdstippen en data in de overgelegde stukken. Het niet strikt volgen van de wettelijk voorgeschreven procedure en het niet nauwkeurig vermelden van data en tijdstippen van bepaalde handelingen, maakt het voorts niet mogelijk voor het Gerecht om achteraf te toetsen of de juiste procedure is gevolgd en de vrijheidsontneming gerechtvaardigd was.
5.15.
Het Gerecht is van oordeel dat het verweerder kan worden aangerekend dat bij een vooraf geplande actie in het kader van vreemdelingentoezicht, niet alle procedures ten aanzien van de vrijheidsontneming zorgvuldig zijn uitgevoerd. Immers, alle facetten van een dergelijke actie kunnen vooraf gepland worden, ook de procedures na aanhouding van personen tijdens de actie. Het is van cruciaal belang en getuigt van proportioneel en verantwoord overheidsoptreden om de ten gevolge van een actie in het kader van vreemdelingentoezicht opgelegde maatregelen correct uit te voeren, zoals daar zijn (niet limitatief): het voorafgaand aan het opleggen van een maatregel horen van een vreemdeling en onmiddellijk opmaken van een proces-verbaal van horen; het correct opstellen van de maatregel van bewaring en zorg dragen voor tijdige ondertekening en het tijdig uitreiken van een maatregel aan de vreemdeling.
5.16.
Gebreken als hiervoor geschetst kunnen de inbewaringstelling onrechtmatig maken als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Daarvan is in dit geval sprake. Naar het oordeel van het Gerecht is in dit geval namelijk sprake van een opstapeling van ernstige gebreken, terwijl aan de zijde van verweerder niet is gebleken van dermate zwaarwegende belangen, dat een afweging in het voordeel van verweerder zou dienen uit te vallen. Het Gerecht is van oordeel dat ten gevolge van deze opstapeling van ernstige gebreken de opgelegde maatregel van bewaring onrechtmatig is. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het Gerecht komt, gezien het vorenstaande niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de maatregel.
5.17.
Eiseres heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding voor onrechtmatige detentie van een bedrag van NAf 1.000,-- per dag.
5.18.
Artikel 26A van de Ltu luidt: Sint Maarten is aansprakelijk voor onrechtmatig handelen van de minister dat voortvloeit uit de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 19. Het Gerecht is van oordeel dat nu het beroep met betrekking tot de maatregel van bewaring gegrond is, er op grond van artikel 26A van de Ltu een wettelijke grondslag bestaat voor toekennen van schadevergoeding.
5.19.
Verweerder heeft aangevoerd dat eiseres de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft onderbouwd. Voorts lijkt verweerder te stellen dat aan eiseres vanwege haar onrechtmatig verblijf en omdat zij handelt in strijd met de Ltu, geen beroep toekomt op artikel 26A van de Ltu. Het Gerecht is van oordeel dat het vorderen van schadevergoeding bij onrechtmatige vrijheidsontneming, vanwege de ernst hiervan (lees ook artikel 5 van Pro het EVRM), geen misbruik kàn opleveren omdat onrechtmatige opgelegde detentie niet in verhouding staat met onrechtmatig verblijf.
5.20.
Voor wat het verzoek om schadevergoeding betreft overweegt het Gerecht dat aan eiseres een schadevergoeding toekomt voor de onrechtmatige vreemdelingenbewaring, die op 27 januari 2022 is aangevangen en is opgeheven op 2 maart 2022. Het Gerecht komt daarmee op 34 dagen. Ten aanzien van de hoogte van de toe te kennen vergoeding zoekt het Gerecht aansluiting bij hetgeen binnen het Hof van Justitie gebruikelijk is (zie bijvoorbeeld AUA202100795), à NAf 80,- per dag. Het Gerecht ziet geen aanleiding tot toekenning van een hoger bedrag. Eiseres heeft immers geen nadere onderbouwing gegeven van het gevorderde bedrag en verweerder heeft de hoogte bestreden. Dit betekent dat een schadevergoeding van NAf 2.720,-- (34 dagen x NAf 80,-) zal worden toegerekend.
5.21.
Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op NAf 1.400,-- zijnde 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. Voorts zal het Gerecht bepalen dat verweerder aan eiseres NAf 150,--dient te betalen als vergoeding van het door haar gestorte griffierecht.

6. De beslissing

Het Gerecht:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigd de verwijderingsbeschikking en de maatregel van bewaring;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade ter hoogte van NAf 2.720,-- wegens onrechtmatige detentie;
bepaalt dat verweerder aan eiseres zal betalen een bedrag ad NAf 1.400,-- en een bedrag van NAf 150,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 31 maart 2023.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.