Klager, een Guyanese ingezetene van Sint Maarten sinds 2017, verzocht op 11 augustus 2022 om een verklaring omtrent gedrag (VOG) ter ondersteuning van zijn aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning. Verweerder weigerde de VOG op grond van een eerdere veroordeling in 2020 wegens drugshandel, waarbij klager 15 maanden gevangenisstraf kreeg opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.
Klager stelde beroep in tegen deze weigering en verzocht het Gerecht om de beschikking te vernietigen en alsnog een VOG af te geven. Verweerder voerde aan dat de aard van het delict ernstige zorgen baart over mogelijke herhaling en dat het algemeen belang zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van klager.
Het Gerecht stelde vast dat verweerder geen beleid heeft vastgesteld voor de toetsing van VOG-aanvragen in het kader van verblijfsvergunningen en dat verweerder in redelijkheid tot afwijzing kon komen gezien de veroordeling. De klacht werd daarom ongegrond verklaard. Tegelijk oordeelde het Gerecht dat de weigering van een VOG niet mag verhinderen dat klager een aanvraag tot verlenging van zijn verblijfsvergunning kan indienen. De huidige praktijk waarbij de VOG een onvoorwaardelijke voorwaarde is voor verlenging is onrechtmatig. Bij verlenging dient verweerder een belangenafweging te maken waarbij ook de duur van legaal verblijf en het opgebouwde gezinsleven worden meegewogen.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Ghrib op 22 mei 2023 en is niet vatbaar voor hoger beroep.