Partijen hadden een relatie waaruit een minderjarige is geboren in Sint Maarten. De vader erkende het kind voor de geboorte. De moeder en het kind wonen inmiddels in Frankrijk, terwijl de vader ook in Frankrijk verblijft. De moeder had het kind zonder toestemming van de vader van Sint Maarten naar Sint Maarten en later naar Frankrijk gebracht.
Er was eerder een kort geding met een vaststellingsovereenkomst over omgangsregeling en verblijf. De moeder verzocht het Gerecht in Sint Maarten om eenhoofdig gezag en hoofdverblijf bij haar toe te wijzen, met overhandiging van het kind binnen vijf dagen. De vader betwistte de bevoegdheid van het Gerecht en stelde dat de Franse rechter bevoegd is.
Het Gerecht oordeelde dat op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechter van het land van de gewone verblijfplaats van het kind bevoegd is. Aangezien het kind en de vader in Frankrijk wonen en het verblijf op Sint Maarten slechts tijdelijk en zonder instemming was, is de gewone verblijfplaats niet gewijzigd.
Daarom verklaarde het Gerecht zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen zes weken na uitspraak.