Belanghebbende kreeg in augustus 2020 twee naheffingsaanslagen BBO opgelegd over november en december 2017. Na bezwaar en het instellen van beroep wegens niet tijdig beslissen, trok belanghebbende het beroep in nadat de Inspecteur de aanslagen in december 2022 had verminderd naar nihil.
Gelijktijdig met de intrekking verzocht belanghebbende om vergoeding van gemaakte kosten in bezwaar- en beroepsfase, het griffierecht en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Gerecht oordeelde dat geen sprake was van ernstige onzorgvuldigheid door de Inspecteur in de bezwaarfase, zodat geen kostenvergoeding daarvoor werd toegekend.
Voor de beroepsfase werd een forfaitaire proceskostenvergoeding van NAf 525 toegekend, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen omdat de belastingrechter daartoe niet bevoegd is en de redelijke termijn niet was overschreden.
De Inspecteur werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van NAf 300. Belanghebbende kan tegen deze uitspraak binnen twee maanden hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belastingkamer te Sint Maarten.