ECLI:NL:OGEAM:2024:32

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
30 juli 2024
Zaaknummer
SXM202300857-LAR00104/2023
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 LtuLandsverordening toelating en uitzettingToelatingsbesluit mei 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verlenging vergunning tijdelijk verblijf wegens onvoldoende inkomen partner

De eiser, een inwoner van Sint Maarten met de Dominicaanse nationaliteit, verzocht om verlenging van zijn vergunning tot tijdelijk verblijf op basis van gezinshereniging met zijn echtgenote. De minister van Justitie weigerde dit verzoek omdat niet was aangetoond dat de echtgenote over voldoende middelen van bestaan beschikte. Na een bezwaarprocedure handhaafde de minister de weigering.

De eiser stelde dat hij met stukken in de bezwaarfase had aangetoond dat zijn echtgenote voldoende inkomen had om voor hem te zorgen. Het Gerecht stelde vast dat volgens de toepasselijke richtlijnen een bruto jaarinkomen van NA24.000,- vereist is voor verlenging van de vergunning. De overgelegde stukken toonden echter een inkomen van circa NA18.055,- aan, wat onvoldoende is.

Het Gerecht oordeelde dat de minister de richtlijnen correct toepaste en dat het beroep ongegrond is. De beslissing van de minister tot weigering van de verlenging van de vergunning tot tijdelijk verblijf blijft daarom in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van verlenging van de vergunning tot tijdelijk verblijf wordt gehandhaafd.

Uitspraak

Uitspraakdatum: 3 juni 2024
Zaaknummer: SXM202300857-LAR00104/2023
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
In het geding van:
[naam],
wonende te Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: dhr. E.I. MADURO,
tegen
DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN SINT MAARTEN,
gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.M. MARICA,

1.Aanduiding bestreden beschikking

Bij de beschikking van 25 augustus 2021 heeft de minister het verzoek van [eiser] tot verlenging van zijn vergunning tot tijdelijk verblijf (hierna: vttv) afgewezen. Het daartegen door [eiser] gemaakte bezwaar heeft de minister bij de beschikking van 15 juni 2023 ongegrond verklaard (hierna: bestreden beschikking).

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Op 23 augustus 2023 heeft [eiser] tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 april 2024. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is verschenen bij diens gemachtigde.

3.Feiten

3.1. [
eiser] is geboren op 14 februari 1953 in de Dominicaanse Republiek en heeft de Dominicaanse nationaliteit.
3.2.
Op 2 maart 2015 is hij in de Dominicaanse Republiek gehuwd met [naam], geboren op [datum] 1960 en ook in het bezit van de Dominicaanse nationaliteit en van een permanente verblijfvergunning. Op grond van dat huwelijk is aan [eiser] een eerste vttv met als doel gezinshereniging verleend voor de periode van 23 augustus 2016 tot 17 augustus 2018. Op 11 december 2018 is hem een tweede vttv met als doel gezinshereniging verleend. Deze vttv was geldig tot 31 augustus 2021.
3.3.
Op 28 mei 2021 heeft [eiser] de minister verzocht zijn vttv te verlengen. Dit verzoek heeft de minister afgewezen omdat niet is aangetoond dat zijn echtgenote over voldoende middelen van bestaan beschikt. Deze afwijzing heeft de minister bij de bestreden beschikking gehandhaafd, onder andere omdat in bezwaar opnieuw onvoldoende inkomen is aangetoond.

4.Het geschil

4.1. [
eiser] heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en de minister op te dragen alsnog een vttv te verlenen. Daarover voert [eiser] aan dat met stukken in de bezwaarfase is aangetoond dat zijn echtgenote over voldoende middelen van bestaan beschikt om voor hem te kunnen zorgen.
4.2.
De minister concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: Ltu) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
Voor de toepassing van de Ltu hanteert de minister het beleid zoals opgenomen in de richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 (hierna: de richtlijnen). In paragraaf 3.7 is onder meer bepaald dat vreemdelingen zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan. In paragraaf 3.7.1 is vastgelegd dat bij aanvragen voor een partner een normbedrag van NA
f2.000,- geldt.
5.2.
Het Gerecht stelt vast dat de minister de richtlijnen met ingang van 30 april 2021 heeft gewijzigd. Onder meer het normbedrag bij aanvragen voor een partner is verhoogd naar NA
f3.000,- per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat in het geval van [eiser] het oude normbedrag moet worden aangehouden omdat het een verlengingsaanvraag betreft en de eerste aanvraag is ingediend vóór vaststelling van de nieuwe richtlijnen. Aldus moet [eiser] aantonen dat zijn echtgenote een normbedrag van NA
f2.000,- bruto per maand, of NA
f24.000,- bruto per jaar verdient. Met de minister is het Gerecht van oordeel dat [eiser] daar niet in is geslaagd. Bij het bezwaarschrift is een “Tax return form” over het jaar 2022 gevoegd waarin een jaarinkomen van NA
f18.055,- en een belastbaar jaarinkomen van NA
f17.555,- is aangegeven. Ter onderbouwing van het jaarinkomen is een overzicht verstrekt waaruit blijkt dat zijn echtgenote in 2022 NA
f18.054,88 verdiende met werkzaamheden als kapster en babysitter. Gelet hierop moet worden vastgesteld dat de echtgenote van [eiser] niet aan het normbedrag van NA
f24.000,- bruto per jaar voldoet. Alleen al daarom heeft de minister de aanvraag om een vttv terecht geweigerd. Het betoog slaagt niet. Het Gerecht laat daarom onbesproken al hetgeen partijen overigens verdeeld houdt.
5.3.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.
6.
De beslissing
Het Gerecht:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. van Ettekoven, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 3 juni 2024.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.