Eiseres, statutair directeur van een vennootschap in Sint Maarten, had een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel arbeid als directeur, geldig tot 15 augustus 2022. Zij vroeg verlenging aan, maar deze werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan het middelenvereiste, een vereiste om zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan te beschikken.
Eiseres maakte bezwaar en overhandigde enkele documenten, maar slaagde er niet in een bewijs van de Inspectie der belastingen en een persoonlijk cribnummer te overleggen. Tijdens de hoorzitting verklaarde zij contant een inkomen te ontvangen, maar dit werd niet als voldoende bewijs geaccepteerd. Het Gerecht stelde vast dat eiseres het standpunt van verweerder niet heeft bestreden en dat zij niet heeft aangetoond dat zij aan het middelenvereiste voldoet.
Het Gerecht oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag heeft afgewezen en het bezwaar ongegrond heeft verklaard. De stelling van eiseres dat zij niet tijdig bewijs kon aanleveren vanwege de korte geldigheidsduur van de eerdere vergunning werd niet gevolgd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.