Uitspraak
1.[eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
5. [eiser 5],
6. [eiser 6],
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
gemachtigde: mr. G. Hatzmann,
1.Inleiding
civil works permits(aanlegvergunningen) te schorsen, zolang niet op het beroep tegen de verlening van deze vergunningen is beslist. Subsidiair is verzocht om de Minister te veroordelen tot het opleggen van een bouwstop aan [vergunninghouder], met bepaling dat deze bouwstop niet geldt voor de verplichting op grond van het vonnis van 16 december 2025 om een toegangsweg aan te leggen ten behoeve van eisers.
Namens de Minister is verschenen de heer T. Snyder, legal advisor, bijgestaan door de gemachtigde (via videoverbinding). Namens de derde-belanghebbende is haar directeur dhr.[N] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
2.Beoordeling door het Gerecht
“The soil investigation was performed properly and is sufficient for this project”“In general the geotechnical recommendations appear to be appropriate”“…a choice has been made for an open excavation to construct the building pit for the underground car parking. We are not aware whether the presence of nearby buildings has taken into account in this decision.”“To date we have not received [a monitoring plan]. As mentioned and shown by pictures before, even though the excavation works have already started. These works should be halted until a proper monitoring plan is made available.”
Tot slot dient de belangenafweging in het voordeel van [vergunninghouder] uit te vallen. De werkzaamheden zijn uitgevoerd op grond van verleende vergunningen, de technische discussie is onderdeel van de bodemzaak en een bouwstop zal onomkeerbare financiële en contractuele gevolgen hebben voor [vergunninghouder}. Ook zal [vergunninghouder] zich geconfronteerd zien met dwangsommen omdat zij andere verplichtingen jegens eisers, uit hoofde van het kort geding vonnis, dan niet kan nakomen.
Verder gaat het Gerecht niet mee in de gedachte dat überhaupt geen inhoudelijk voorlopig oordeel in de bestuursrechtelijke voorlopige voorzieningenprocedure zou kunnen worden gegeven als er discussie is tussen deskundigen of als er al een kort geding procedure is geweest. Wet noch jurisprudentie bieden daar aanknopingspunten voor.
Indien eisers er gelijk in hebben dat door de verleende civil works permit voor afgravingswerkzaamheden onaanvaardbare veiligheidsrisico’s voor hen in het leven worden geroepen, dan hebben zij voldoende spoedeisend belang bij schorsing daarvan. Gezien de forse afgravingswerkzaamheden waarvoor vergunning is verleend en de nabijheid van de woningen van eisers bij de ‘bouwput’, is die stellingname op voorhand niet van elke aannemelijkheid ontbloot. De Minister en [vergunninghouder] hebben in dit verband ook nog aangevoerd dat de werkzaamheden waarvoor de civil works permits zijn verleend, reeds afgerond zijn en dat eisers daarom geen spoedeisend belang althans procesbelang meer hebben. Eisers betwisten echter dat het werk klaar is en stellen dat er nog ‘excavators’ rondrijden op het terrein en dat nog afgravingswerkzaamheden plaatsvinden. Desgevraagd heeft de Minister niet kunnen toelichten hoe is vastgesteld dat de afgravingswerkzaamheden inderdaad gereed zijn. Er heeft in elk geval geen inspectie ter plaatse plaatsgevonden bij weten van de gemachtigde en de vertegenwoordiger van het Ministerie. De directeur van [vergunninghouder] is ter zitting niet verder gekomen dan bij herhaling te benoemen dat er ‘alleen werkzaamheden onder de bouwvergunning worden uitgevoerd’ en dat het niet verboden is om een ‘excavator’ rond te laten rijden op het terrein. Een duidelijk en direct antwoord op de vraag of nog afgravingswerkzaamheden plaatsvinden, bleef uit. Het Gerecht komt dan ook tot de conclusie dat vooralsnog, voorlopig oordelend, niet is komen vast te staan dat de afgravingswerkzaamheden daadwerkelijk zijn afgerond. Het Gerecht neemt aldus een spoedeisend belang en procesbelang voor eisers aan en zal het verzoek verder inhoudelijk beoordelen.