4.1.Vrijspraak van feit 1 (actieve ambtelijke omkoping)
De verdenking en de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De verdachte wordt onder feit 1 – in de kern – verweten dat hij in de periode van 20 december 2016 tot en met 15 januari 2018 aan de toenmalig (demissionair) minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI), de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), steekpenningen heeft betaald, zodat zijn bedrijf [bedrijf 1] het zogenaamde ‘[project]’ mocht uitvoeren.
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan actieve ambtelijke omkoping. Volgens het Openbaar Ministerie staat de gunning van het [project] aan het bedrijf [bedrijf 1] van [verdachte] in een directe relatie tot de betaling van NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] door [verdachte].
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit. De verdediging heeft – samenvattend – bepleit dat uit het onderhavige dossier niet is gebleken dat de verdachte NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] heeft betaald. Van een tegenprestatie is in dit verband aldus geen sprake. Verder heeft de verdediging bepleit dat er, gezien het voorgaande, geen sprake is van medeplegen.
De verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie en ter terechtzitting ten stelligste ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan het omkopen van [medeverdachte 1].
Van actieve omkoping van een ambtenaar is sprake als iemand, met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn of haar plicht, iets te doen of na te laten, giften of beloften heeft gegeven of gedaan aan die betreffende ambtenaar. Het betreft aldus de beïnvloeding van een ambtelijke handeling. Het doel van omkoping is dan ook dat de ambtenaar iets doet of nalaat, waardoor de omkoper oneerlijke (zakelijke) voordelen heeft.
Ten aanzien van het bestanddeel oogmerk bij een gift (of belofte) voorafgaand aan de tegenprestatie is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Ten aanzien van een gift na een tegenprestatie is een oogmerk niet vereist, wel moet ook hierbij komen vast te staan dat de gift in relatie staat tot die tegenprestatie.
Feiten en omstandigheden [project]
In de woning van [medeverdachte 1] werd op 10 mei 2023 een niet-getekende factuur van [bedrijf 1] van 5 november 2017 gericht aan het Ministerie van VROMI aangetroffen. De factuur met als onderwerp ‘[onderwerp]’, had betrekking op de reparatie van vier beschadigde palen voor een bedrag van ANG 34.000,- (D-264). Uit het dossier kan worden afgeleid dat het project op 10 november 2017 is afgerond.
Uit de bankgegevens van [verdachte], de eigenaar van [bedrijf 1], bleek dat op 17 november 2017 een bedrag van NAf 34.000,- was gestort (D-179). De NAf 34.000,- werd middels een cheque afkomstig van de overheid van Sint Maarten op 17 november 2017 betaald aan [verdachte]/[bedrijf 1]. Vervolgens is drie dagen later, op 20 november 2017, een cheque ter waarde van NAf 23.500,- uitgeschreven aan [medeverdachte 1] (D-180). De cheque werd geïnd door [medeverdachte 1] zelf.
Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen zijn stukken opgevraagd bij het ministerie van VROMI met betrekking tot dit project. In de aangeleverde stukken bevindt zich een adviesblad d.d. 13 november 2017 waarbij als beslispunt wordt gevraagd om de opdracht ter waarde van NAf 34.000,- aan het bedrijf [bedrijf 1] toe te kennen (D-273). Tevens is er een memo, ook van 13 november 2017, geschreven door [functie 1 binnen de overheid van Sint Maarten], [betrokkene 1] (D-274). In deze memo, gericht aan de toenmalig minister van VROMI, deelt zij met betrekking tot het [project] mee dat zij het adviesblad pas heeft gekregen nadat de paal al was gezet en de vlag al was gehesen. Bovendien benoemt zij ook een aantal bezwaren met betrekking tot het [project], namelijk:
dat de P2P-regeling niet is gevolgd en dat er op zijn minst twee offertes aangevraagd hadden moeten worden, wat niet is gebeurd;
dat de installatiewerkzaamheden al waren gegund, alvorens goedkeuring was gegeven door het ministerie van Financiën;
dat de procedure van wijziging tussen overheidsbudgetten via het parlement had moeten gaan. Het parlement had hiervoor goedkeuring moeten geven, wat niet is gebeurd;
dat de werkzaamheden uitgevoerd waren voorafgaand aan een ondertekende goedkeuring op het advies.
[Betrokkene 1] sluit haar memo af met de mededeling dat zij gelet op het voorgaande niet kan tekenen voor het advies of de factuur.
Op 14 november 2017 is het advies door de minister van VROMI ([medeverdachte 1]) en [betrokkene 2] goedgekeurd en getekend.
Op 15 november 2017 is het advies door [functie 2 binnen de overheid van Sint Maarten] getekend, maar met de toelichting dat het kennisneemt van het commentaar van [betrokkene 1] en dat dit niet nog eens mag gebeuren. Op 16 november 2017 volgt het advies van de afdeling Financieel Beheer en Beleid van de Begroting van het ministerie van Financiën (FBBB) waarin specifiek wordt verwezen naar de opmerkingen onder 1 en 3 in voornoemde memo van [betrokkene 1] waarbij vermeld wordt dat deze opmerkingen ook de opmerkingen van FBBB zouden zijn geweest. Door de minister van Financiën is het advies op 16 november 2017 goedgekeurd en getekend.
De verdachte is in december 2024 bij de politie over het [project] verhoord. In de kern heeft de verdachte verklaard dat hij destijds het [project] heeft uitgevoerd en hier een factuur voor heeft opgesteld en naar de minister van VROMI, [medeverdachte 1], heeft gestuurd om te tekenen en te betalen. Over het [project] zegt [verdachte] verder dat hij aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd of er ook geboden moest worden op dit project. [Medeverdachte 1] zou gezegd hebben dat dit niet nodig was. Over de uitgeschreven cheque ter waarde van NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] zegt hij dat hij aan [medeverdachte 1] heeft gevraagd om dit geld voor hem, [verdachte], op te halen, zodat [medeverdachte 1] de betrokken werknemers bij het project kon betalen. Naast deze cheque kreeg de lasser van het [project], [betrokkene 3], NAf 9.900,- betaald. [Verdachte] heeft naar eigen zeggen zelf NAf 600,- aan het project verdiend. Ter terechtzitting gaf [verdachte] aan dat hij geen cheque van NAf 23.500,- aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. [Verdachte] zou meerdere blanco cheques hebben getekend en hij heeft [medeverdachte 1] vervolgens gevraagd om daarmee de bij het project betrokken werknemers te betalen, omdat [verdachte] zelf te druk was met andere werkzaamheden. De namen van de werknemers wist hij niet meer; evenmin wist hij welke bedragen exact betaald moesten worden. [Verdachte] gaf ter terechtzitting aan dat hij niet wist dat er maar één cheque was geïnd door [medeverdachte 1] ter waarde van NAf 23.500. [Verdachte] ontkent dat sprake is geweest van een steekpenning.
[Medeverdachte 1] is op 15 januari 2025 bij de politie verhoord als verdachte. Hij heeft verklaard dat hij voornoemde cheque heeft geïnd, maar dat hij zich de reden daarvan niet herinnert.
Conclusies van het Gerecht
Het Gerecht constateert dat er met betrekking tot het onderhavige project verschillende onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Frappant is dat het project al – zonder een daarvoor voor de hand liggende reden – aan [verdachte] was gegeven én uitgevoerd, nog voordat het adviestraject was gestart. De hiervoor genoemde opmerkingen van [betrokkene 1] in dit verband zijn glashelder en worden gesteund door de afdeling FBBB van het ministerie van Financiën.
Verder geldt dat op de ingediende factuur van [bedrijf 1] geen kostenpost voor ingehuurd personeel is vermeld. Enige administratie is in dit verband ook niet in het dossier aangetroffen of naderhand overgelegd door de verdediging. Met betrekking tot de factuur van [bedrijf 1] acht het Gerecht nog van belang om op te merken dat de factuur ongespecificeerd is en dat de naam van een vertegenwoordiger van het bedrijf en een CRIB-nummer ontbreken.
Voorts is over de uitbetaling en de besteding van het bedrag van NAf 23.500,- naar het oordeel van het Gerecht door de verdachte ongeloofwaardig verklaard. Eerst ter zitting verklaarde hij dat er niet één, maar meerdere blanco cheques door hem aan [medeverdachte 1] zijn gegeven, om op die wijze de werknemers van het [project] te betalen, van welke werknemers hij geen enkele naam meer weet.
Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht gerede twijfels over de betrouwbaarheid van de factuur, de wijze waarop het totaalbedrag van NAf 34.000,- tot stand is gekomen en de bestemming van het bedrag van NAf 23.500,-.
De vraag die het Gerecht evenwel moet beantwoorden is of voornoemd handelen te kwalificeren is als actieve ambtelijke omkoping.
Het Gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het Gerecht niet de overtuiging bekomen dat [medeverdachte 1] door de verdachte is betaald in het kader van omkoping, in die zin dat de betaling van NAf 23.500,- (de cheque) in relatie staat tot de gunning van het [project] aan de verdachte. Nog daargelaten dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte met het verkrijgen van deze opdracht een (substantieel) zakelijk voordeel heeft gehad en het initiatief van de ‘gunning’ van dit project aan de verdachte juist bij [medeverdachte 1] lijkt te liggen (hetgeen overigens op zichzelf niet aan een bewezenverklaring van omkoping in de weg hoeft te staan), merkt het Gerecht in dit verband op dat het er op basis van alle feiten en omstandigheden in dossier veeleer de schijn van heeft dat de verdachte en [medeverdachte 1] een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven, waarbij het erop moest lijken dat het (gehele) bedrag is aangewend voor het [project]. Dit kwalificeert naar het oordeel van het Gerecht evenwel niet als omkoping.
Het Gerecht zal de verdachte dan ook van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.