ECLI:NL:OGEAM:2026:51

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
SAB202400013
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 200a BWBES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toewijzing perceel uit nalatenschap wegens ontbreken meetbrief en afwikkelingsvoorstel

In deze oude boedelzaak op Saba hebben twee erfgenamen, wonende in Nederland, afzonderlijk verzoeken ingediend tot toewijzing van een perceel grond uit de nalatenschap van hun overleden grootvader. Het perceel bevindt zich in het district Lower Zion’s Hill, ook bekend als Lower Hell’s Gate. Beide verzoeken zijn gebaseerd op artikel 200a BWBES.

Tijdens de procedure is gebleken dat het perceel in bezit was van de erfgenamen van de overledene, maar dat er geen eigenaar geregistreerd staat in de openbare registers. De verzoekers hebben geen meetbrief van het betreffende perceel overgelegd, hoewel het Gerecht herhaaldelijk heeft verzocht om een meetbrief en een voorstel voor de toewijzing en afwikkeling van het perceel, waarover de erfgenamen het eens zijn.

De verzoekers hebben wel verklaringen van familieleden en getuigen overgelegd, maar deze boden onvoldoende bewijs voor hun aanspraken. Ook hebben zij geen concreet voorstel gedaan aan wie het perceel toegewezen zou moeten worden en hoe de afwikkeling zou moeten plaatsvinden. Het Gerecht concludeert dat de verzoeken onvoldoende zijn onderbouwd en wijst deze af.

Het Gerecht adviseert de erfgenamen om gezamenlijk een meetbrief te laten opstellen en een plan te maken voor tenaamstelling en verkoop, waarna een nieuw verzoek kan worden ingediend. De uitspraak is gedaan door rechter L.J. Saarloos op 18 maart 2026.

Uitkomst: Verzoeken tot toewijzing van het perceel uit de nalatenschap worden afgewezen wegens het ontbreken van een meetbrief en een concreet voorstel voor afwikkeling.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Zittingsplaats Saba
Zaaknummer: SAB202400013
Datum: 18 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in Nederland,
verzoeker in zijn eigen zaak,
belanghebbende in het verzoek van [verzoekster],
[verzoekster],
wonende te Nederland,
belanghebbende in het verzoek van [verzoeker],
verzoekster in haar eigen zaak,
gevolmachtigde: [naam gevolmachtigde],
met als in het geding verschenen belanghebbenden:
[belanghebbende zus],
wonende te Nederland
en
HET OPENBAAR LICHAAM SABA,
zetelend te Saba, hierna: het OLS,
gevolmachtigde: mr. P. Groeneveld.
De partijen worden ‘[verzoeker]’, ‘[belanghebbende zus]’ en ‘[verzoekster]’ genoemd.

1.Het verloop van de rechtszaak

Het verzoek van [verzoeker]

1.1. [
[verzoeker] heeft op 15 maart 2024 een verzoekschrift bij de griffie ingediend. Het verzoek heeft betrekking op een perceel grond in het district Lower Zion’s Hill op Saba. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat dit perceel op naam staat van de inmiddels overleden [erflater].
1.2.
Na een aantal administratieve verwikkelingen heeft de griffier van het Gerecht aan [verzoeker] verzocht om aanvullende gegevens, voordat het verzoek verder behandeld zou kunnen worden. Verzocht werd een stamboom van [erflater] over te leggen, zodat het Gerecht kan nagaan welke familieleden er nog meer zijn. Ook werd een bewijs van economische eigendom verlangd en een meetbrief van het desbetreffende perceel.
1.3. [
[verzoeker] verwees de griffier naar de heer [naam] van het Kadaster, die in 2022 een kadastrale tekening van het bedoelde perceel had gemaakt. De andere onderdelen zouden nog worden uitgezocht.
Het verzoek van [verzoekster]
1.4. [
[verzoekster] heeft op 10 mei 2024 ook een verzoek gedaan tot toekenning van het perceel, in haar verzoekschrift omschreven als een perceel in Lower Hell’s Gate. Volgens [verzoekster] was het perceel uit de nalatenschap van [erflater] niet toebedeeld aan de vader van [verzoeker] ([T]), maar aan haar vader [E]. Haar verzoek werd ondersteund door een schriftelijke verklaring van de heer [getuige 1]. Nadat haar om een nadere toelichting is gevraagd, heeft haar gevolmachtigde dochter namens [verzoekster] een reactie geschreven.
De verdere loop van de procedure
1.5.
Na de formele oproepingen in onder andere de Staatscouranten zijn vervolgens op 19 februari 2025 de verzoeken in een openbare zitting op Saba behandeld. [verzoeker], [belanghebbende zus] en [verzoekster] waren via een video-verbinding aanwezig.
Het proces-verbaal van die zitting vermeldt het volgende:
“De rechter bespreekt het verzoek met partijen, dat betrekking heeft op een perceel te Lower Zions Hill, Saba (zonder meetbrief). Mr. Groeneveld stelt zich namens het OLS op het standpunt dat geen beroep wordt gedaan op het domeinbeginsel. Het perceel was in gebruik bij de familie Jackson, maar het is vooralsnog niet duidelijk welk familielid.
[kadaster] merkt op dat in de openbare registers geen eigenaar geregistreerd staat van het perceel. Op de meetbrief [nummer] staat vermeld dat het desbetreffende perceel in bezit is van ‘the heirs of [erflater]’. [kadaster] zegt toe deze meetbrief aan het Gerecht toe te sturen.
De rechter merkt op dat er eerst een meetbrief opgesteld zal moeten worden, waarbij de perceelsgrenzen in afstemming met de rechthebbenden op de belendende percelen zullen moeten worden bepaald. Verder zal belanghebbende [verzoekster] de stelling dat het perceel vanuit de nalatenschap van [erflater] enkel aan haar vader [E] is toebedeeld, nader moeten onderbouwen.
De rechter merkt verder op dat het onwenselijk is dat bij de toepassing van de regeling voor onverdeelde gemeenschappen een nieuwe onverdeeldheid in het leven wordt geroepen, wat het geval zou zijn als het perceel aan de gezamenlijke erfgenamen in eigendom zou worden toegekend. Als het tot toewijzing van het perceel in eigendom komt, dan zal dat aan een lid van de familie Jackson zijn, en pas op het moment dat er een concreet afwikkelingsvoorstel (verkoopvoorwaarden of voorlopige koopovereenkomst, taxatie) ligt waarover de erfgenamen het zoveel mogelijk eens zijn.
De rechter sluit de behandeling en verwijst de zaak naar de rol van 21 mei 2025 om 9.00 uur. (…)Belanghebbende [verzoekster] kan dan haar aanspraak op het perceel schriftelijk nader onderbouwen. Het Gerecht zal vervolgens over de voortgang beslissen.”
1.6.
Het verzoek is vervolgens opnieuw behandeld op de zitting van 21 mei 2025. In reactie op een verzoek van [verzoeker] heeft de griffier hem voorafgaande aan die zitting het volgende meegedeeld:
“- u dient een meetbrief te laten opmaken
- u dient een voorstel te doen aan wie het perceel toegewezen zou kunnen worden
- u dient een voorstel te doen voor de afwikkeling (verkoopvoorwaarden of voorlopige koopovereenkomst, taxatie), waarover de erfgenamen het zo veel mogelijk eens zijn.
Indien het voor u onduidelijk blijft, is het dringende advies om een lokale advocaat in te schakelen.”
1.7.
Ter zitting van 21 mei 2025 hebben [verzoeker] en [verzoekster] geen nadere gegevens verstrekt. Na vervolgzittingen op 18 juni 2025 en 20 augustus 2025 heeft [verzoeker] via een e-mail op de zitting van 17 september 2025 een ‘akte’ genomen, waarin hij stelt dat zijn nicht [verzoekster] zich vergist en dat het stuk land dat zij bedoeld, is gelegen in English Quarter.
1.8.
Het OLS heeft op 22 oktober 2025 een akte genomen. Namens het OLS werd geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van zowel [verzoeker] als [verzoekster].
1.9.
Op de zitting van 19 november 2025 heeft [verzoekster] niet meer op het standpunt van [verzoeker] gereageerd. De zaak is vervolgens verwezen naar de zitting van 18 februari 2026.
1.10.
Voor de zitting van 18 februari 2026 heeft [verzoeker] drie meetbrieven aan het Gerecht toegezonden en verklaringen van familieleden.
1.11.
De uitspraak is daarna bepaald op vandaag.

2.De beoordeling van de verzoeken.

2.1.
De verzoeken zijn gebaseerd op toepassing van artikel 200a BWBES en verder. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het gaat om een perceel grond, toebehorende aan “de heirs of [erflater]”. Het perceel bevindt zich in het gebied Lower Zion’s Hill. Dat gebied is ook wel bekend als Lower Hell’s Gate. Aan beide verzoeken is dezelfde situatieschets gehecht, die het Kadaster in 2022 – naar het Gerecht begrijpt, op verzoek van [verzoeker] – van het aangeduide perceel heeft gemaakt.
2.2.
Zowel [verzoeker] als [verzoekster] wonen in Nederland. Op het perceel woont niemand meer.
2.3.
In het dossier van het Gerecht is in het verzoek van [verzoeker] een uitdraai overgelegd, waaruit volgt dat [erflater], geboren ongeveer [datum] gehuwd was met [A] en op [datum] met [B]. [erflater] had 13 kinderen, waaronder de vader van [verzoeker], en de vader van [verzoekster]. De bron van deze gegevens is onduidelijk.
2.4. [
[verzoeker] heeft een verklaring overgelegd van [getuigen 2 en 3], die volgens hun eigen verklaring in Zions Hill wonen. Zij bevestigen dat een groot stuk land, begrensd door de “properties” van de erven van [Z] en het OLS, eigendom is van de erfgenamen van [erflater]. Zij verklaren echter niet dat de vader van [verzoeker] het stuk land heeft bewoond of bezeten.
2.5. [
[verzoekster] heeft een verklaring overlegd van [getuige 1]. Hij verklaart dat de heer [E] en zijn familie eigenaar was van een stuk grond, met daarop een huis. Die grond was gelegen in een gebied dat bekend staat als “Behind the ridge”. Deze [getuige] verklaarde als kind daarnaast gewoond te hebben. Toen de weg naar het vliegveld werd aangelegd, liep deze voor een deel over het land van [E]. Die heeft daarvoor van de overheid compensatie gekregen.
2.6.
In een meetbrief, [nummer], wordt omschreven dat het terrein van [Z] aan de noord- en oostzijde wordt begrensd door een terrein “in possession of the heirs of [erflater]”.
2.7.
Op grond van het voorgaande staat voor het Gerecht voldoende vast dat het door [verzoeker] en [verzoekster] in hun verzoekschriften aangeduide perceel in bezit was van hun opa, [erflater]. Als het Gerecht de tekeningen goed begrijpt, staat er nu geen huis meer op het perceel, alleen nog restanten ervan en een cistern. [verzoeker] heeft geen bewijs aangedragen dat zijn vader het perceel gebruikte of in bezit had. [verzoekster] heeft één ondersteunende verklaring overgelegd, die haar stelling onderschrijft dat juist haar vader in een huis op het perceel heeft gewoond. Het Gerecht verwerpt het standpunt van [verzoeker] dat [verzoekster] zich heeft vergist en dat dat om een ander stuk grond gaat, op een ander deel van het eiland. De verklaring van [getuige 1] sluit immers aan bij de ligging van het huidige perceel.
2.8. [
[verzoeker] heeft verklaringen overgelegd die zijn ondertekend door andere kleinkinderen van [erflater], namelijk twee kinderen van [L] en zeven kinderen van [U]. [verzoeker] en [belanghebbende zus] hebben ook een zelfde verklaring ondertekend. Het standpunt van [verzoekster] staat hierboven weergegeven. Standpunten van (achter)kleinkinderen van de andere negen kinderen van [erflater] zijn onbekend.
2.9. [
[verzoeker] en [verzoekster] hebben beiden geen meetbrief van het gewenste perceel laten opmaken. [verzoeker] heeft weliswaar drie meetbrieven aan het Gerecht toegezonden, maar die betreffen alle drie bestaande percelen in de buurt van het nog uit te meten perceel (onder andere meetbrief [nummer], die het Kadaster eerder al aan het Gerecht had doen toekomen).
2.10.
Ook heeft geen van beide partijen een voorstel gedaan aan wie het perceel toegewezen moet worden en geen van beiden heeft een voorstel gedaan voor de afwikkeling (verkoopvoorwaarden of voorlopige koopovereenkomst, taxatie), waarover de erfgenamen het zo veel mogelijk eens zijn.
2.11.
Onder de hiervoor omschreven omstandigheden hebben zowel [verzoeker] als [verzoekster] hun verzoek onvoldoende onderbouwd, zodat beide verzoeken moeten worden afgewezen.
2.12.
Het Gerecht stelt vast dat beide verzoekers veel tijd en moeite hebben besteed aan deze zaak. [verzoeker] heeft namens een aantal neven en nichten ook de nodige kosten gemaakt.
Het Gerecht adviseert de erven opnieuw met elkaar te overleggen, dus [verzoeker] . Dat zou ertoe kunnen leiden dat zij gezamenlijk de opdracht geven aan het kadaster om een meetbrief op te stellen voor het desbetreffende perceel, volgens de eerder gemaakte schets. Daarna zou opnieuw een verzoek kunnen worden ingediend, voorzien van een plan tot tenaamstelling en verkoop van het perceel en de wijze van verdeling van de verkoopopbrengst. ( [1] )

3.De beslissing

Het Gerecht:
3.1.
wijst de verzoeken af;
3.2.
draagt de griffier op, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, de kosten voor de openbare bekendmakingen in mindering te brengen op het door [verzoeker] betaalde voorschot.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
Tegen deze beschikking kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Voetnoten

1.() Zie voor een voorbeeld: rechtspraak.nl, ECLI:NL:OGEABES:2025:27