1.3.Het Gerecht gaat er daarom van uit dat het beroep zowel is gericht tegen de primaire beschikking als tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar.
2. Voor zover het beroepschrift is gericht tegen de primaire beschikking, stelt het Gerecht vast dat het beroep niet tijdig is ingediend, nu dit niet binnen zes weken na de dag waarop deze beschikking is gegeven, is ingesteld. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is niet gebleken. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
3. Voor zover het beroepschrift is gericht tegen de fictieve weigering om te beslissen op het gemaakte bezwaar, is het beroep wel tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk. Het Gerecht zal het beroep in zoverre hierna inhoudelijk beoordelen.
Beoordeling van het beroep tegen de fictieve weigering
4. Het Gerecht stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat verweerder het bezwaarschrift van eiser op 16 juli 2025 heeft ontvangen, maar dit niet in behandeling heeft genomen. Voorts staat vast dat tot op heden geen beschikking op het bezwaar is gegeven. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het vanwege hoge werkdruk en capaciteitsgebrek bij de afdeling Juridische Zaken niet is gelukt het bezwaar te behandelen. Inmiddels is een nieuwe Secretaris-Generaal aangesteld en bestaat de verwachting dat het bezwaar alsnog op termijn zal worden behandeld.
5. Het Gerecht overweegt dat capaciteitsgebrek verweerder niet ontslaat van zijn verplichting om tijdig op het bezwaarschrift te beslissen. Op grond van de wettelijke beslistermijn diende verweerder uiterlijk op 16 november 2025 een beschikking op het bezwaar te geven. Nu verweerder dit heeft nagelaten, zal het Gerecht bepalen dat verweerder alsnog een beschikking dient te geven, en wel binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Daarbij dient het bezwaar met de nodige voortvarendheid in behandeling te worden genomen en dient de in hoofdstuk 4 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) voorgeschreven bezwaarprocedure zorgvuldig te worden doorlopen.
6. Het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking strekt ertoe het bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Het bestuursorgaan dient in dat geval in beginsel alsnog een beslissing te nemen, waartegen desgewenst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. In de Lar, noch elders, is bepaald dat het uitblijven van een beschikking met een afwijzende beschikking wordt gelijkgesteld.
7. Gelet op het vorenstaande zal het Gerecht het beroep gegrond verklaren en de bestreden beschikking vernietigen. Voorts zal het Gerecht aan verweerder opdragen om binnen acht weken na heden alsnog een beschikking op het bezwaar van eiser te geven.
8. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op Cg 700,--, zijnde 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling met wegingsfactor 0,5 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak. Voorts zal het Gerecht bepalen dat verweerder aan eiser Cg 150,--dient te betalen als vergoeding van het door hem gestorte griffierecht.