ECLI:NL:OGEAM:2026:80

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
SXM202600350
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 4 Landsverordening dwanginvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing schorsende werking hoger beroep executie dwanginvordering met termijn van drie maanden

De Ontvanger van het Land Sint Maarten vorderde opheffing van de schorsende werking van het hoger beroep dat [gedaagde] had ingesteld tegen de afwijzing van verzet tegen executie van dwangschriften. Na een tussenvonnis waarbij [gedaagde] werd verplicht een betaling van minimaal Cg 30.000,- te voldoen, heeft [gedaagde] aan deze verplichting voldaan, evenals aan lopende verplichtingen en executiekosten.

De Ontvanger stelde dat een civielrechtelijke vordering niet verrekend kan worden met een publiekrechtelijke belastingvordering en dat het hoger beroep van [gedaagde] niet-ontvankelijk is omdat geen zekerheid is gesteld. Het Gerecht bevestigde dat alleen de Ontvanger een verrekeningsbevoegdheid heeft en dat het hoger beroep zonder zekerheid kansloos is.

Het Gerecht besloot de schorsende werking van het hoger beroep op te heffen, maar stelde een termijn van drie maanden in waarbinnen [gedaagde] de volledige schuld moet voldoen. Gedurende deze periode moet [gedaagde] de lopende verplichtingen blijven nakomen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De schorsende werking van het hoger beroep is opgeheven met een termijn van drie maanden voor betaling en voortzetting van lopende verplichtingen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202600350
Vonnisdatum: 8 mei 2026
in de zaak van
DE ONTVANGER VAN HET LAND SINT MAARTEN,
gevestigd in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. D.I. Schram,
tegen
de naamloze vennootschap
[gedaagde],
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.M. Hofman-Ruigrok.
Partijen zullen hierna de Ontvanger en [gedaagde] worden genoemd.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De ontvanger heeft op 2 april 2026 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van de schorsende werking als gevolg van het door [gedaagde] ingestelde hoger beroep tegen de afwijzende beslissing op het verzet van [gedaagde] tegen de executie van een aantal dwangschriften.
Vervolgens heeft op 8 april 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.
1.2.
Na afweging van de belangen heeft het Gerecht bij tussenvonnis in kort geding van 9 april 2026 beslist dat [gedaagde] in de gelegenheid zal worden gesteld om een betaling van minimaal Cg 30.000,- uiterlijk 20 april 2026 aan de Ontvanger te voldoen. Tot die datum werd de beslissing in dit kort geding aangehouden. [gedaagde] diende ook de ‘lopende’ verplichtingen voor de maand april 2026 te voldoen, zoals zij dat ook in februari en maart 2026 heeft gedaan. Ten slotte diende [gedaagde] ook de executiekosten (aanzegging en aankondiging veiling en dergelijke) te voldoen.
1.3.
Partijen dienden zich op 20 april 2026 uit te laten over de actuele stand van zaken. [gedaagde] heeft dat gedaan, de Ontvanger niet. Na aanmaning heeft de Ontvanger op 4 mei 2026 meegedeeld dat hij de wederpartij heeft verzocht om zo spoedig mogelijk een concreet voorstel voor een betalingsregeling te doen. Dat voorstel is niet ontvangen. Bij gebreke van een concreet en serieus voorstel en gezien het verloop tot op heden, acht de Ontvanger een regeling niet langer reëel.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis heeft het Gerecht overwogen dat de Ontvanger desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat de executie-opbrengst schattenderwijs een bedrag van Cg 30.000,- zou kunnen opleveren. In verband daarmee heeft het Gerecht [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om een betaling van minimaal Cg 30.000,- uiterlijk 20 april 2026 aan de Ontvanger te voldoen.
2.2. [
[gedaagde] heeft aangetoond dat zij van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. [gedaagde] heeft ook de ‘lopende’ verplichtingen voor de maand april 2026 voldaan. Ten slotte heeft [gedaagde] ook de executiekosten (aanzegging en aankondiging veiling en dergelijke) voldaan. Zoals in het tussenvonnis overwogen, lijdt de Ontvanger hierdoor geen schade door uitstel van de executieveiling.
2.3. [
[gedaagde] beroept zich op verrekening van haar vordering op het Land met haar belastingschuld. Terecht heeft de Ontvanger erop gewezen dat een verrekeningsbevoegdheid uitsluitend bestaat voor de Ontvanger. Een belastingplichtige zoals [gedaagde] mag niet eigenmachtig een gestelde tegenvordering verrekenen met een belastingschuld. Het Gerecht heeft dat standpunt in het kort geding vonnis van 28 januari 2026 ook als overweging overgenomen:
“Een civielrechtelijke vordering kan niet worden verrekend met een publiekrechtelijke belastingvordering.”Het feit dat een belastingplichtige zoals [gedaagde] niet
bevoegdis om een gestelde tegenvordering te verrekenen met een verschuldigd bedrag aan belastingen, houdt niet in dat dit in de praktijk niet toch gebeurt. [gedaagde] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling onderbouwd dat de Ontvanger dat in haar geval in 2022 en 2023 een aantal malen heeft gedaan.
2.4. [
[gedaagde] heeft haar gestelde vordering op het Land uitvoerig onderbouwd. Het Land stelt zich op het standpunt dat het gaat om een onsamenhangende verzameling facturen. Op zichzelf heeft de Ontvanger die vordering inhoudelijk niet weersproken. Dat ligt ook niet op de weg van de Ontvanger, maar het Gerecht kan er wel rekening mee houden, bij de afweging van belangen.
2.5.
Het Gerecht heeft bij vonnis in kort geding de vordering van [gedaagde] tot schorsing van de executie afgewezen. [gedaagde] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep heeft schorsende werking.
De Ontvanger heeft onder verwijzing naar artikel 4 lid 4 Landsverordening Pro dwanginvordering gevorderd dat de schorsende werking van het hoger beroep wordt opgeheven:
“Indien het verzet wordt afgewezen, is hoger beroep slechts ontvankelijk na bewijs, dat de belasting, bijdrage, vergoeding, rente, verhogingen en kosten zijn betaald aan de Ontvanger.”
2.6.
Vast staat dat [gedaagde] geen zekerheid heeft gesteld, zoals in lid 4 bepaald. Daarmee wordt het door haar ingestelde hoger beroep kansloos, omdat [gedaagde] daarin niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard. De vordering van de Ontvanger in dit geding zal daarom worden toegewezen. In de hierna te geven beslissing zal echter wel worden bepaald dat [gedaagde] nog een termijn krijgt om de gehele schuld aan de Ontvanger te voldoen. Ter zitting heeft de financieel adviseur van [gedaagde] verklaard dat in verband met een sanering nog enkele maanden nodig waren om een en ander te regelen.
Bovendien geeft dat het Land nog de mogelijkheid om inhoudelijk te reageren op de tegenvordering van [gedaagde].
Het Gerecht zal de hierna te bepalen termijn in verband met de omstandigheden van dit geval op drie maanden stellen. Daarbij dient [gedaagde] in de tussenliggende periode de lopende verplichtingen te blijven voldoen.
Proceskosten
2.7.
In het voorgaande ziet het Gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren, omdat feitelijk beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld.

3.De beslissing

Het Gerecht:
Rechtdoende in kort geding:
3.1.
heft op de schorsende werking van het door [gedaagde] op 25 februari 2026 ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van 28 januari 2026;
3.2.
bepaalt dat de verdere executie door de Ontvanger niet mag plaatsvinden vóór 8 augustus 2026, zolang [gedaagde] de lopende verplichtingen blijft voldoen;
3.3.
compenseert de proceskosten, iedere partij draagt de eigen kosten;
3.4.
wijst af wat anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.