ECLI:NL:OGEAM:2026:87

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
SXM202600703 - GAZ00022/2026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 RArArt. 17 LmaArt. 3 LbaArt. 92 Lma
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek om voorlopige voorziening wegens prematuur bezwaar tegen schorsing ambtenaar

Verzoeker, een ambtenaar bij het Ministerie van VROMI, werd op 1 oktober 2024 geschorst met volledige inhouding van zijn bezoldiging. Op 11 mei 2026 verzocht hij de schorsing en inhouding op te heffen of te herzien. Vervolgens maakte hij op 11 juni 2026 bezwaar tegen de fictieve weigering van verweerder om op zijn verzoek te beslissen en vroeg hij om een voorlopige voorziening.

Het Gerecht oordeelde dat het bezwaar prematuur was ingediend omdat de wettelijke termijn van drie maanden voor het in gebreke stellen van het bevoegd gezag nog niet was verstreken. Hierdoor was er nog geen sprake van een fictieve weigering en was het bezwaar niet ontvankelijk. Omdat ten tijde van het verzoek om een voorlopige voorziening geen ontvankelijk bezwaar aanhangig was, kon het Gerecht niet inhoudelijk op de gronden van verzoeker ingaan.

Het Gerecht benadrukte dat deze niet-ontvankelijkverklaring niet leidt tot het ontbreken van effectieve rechtsbescherming, aangezien de wetgever de rechtsbescherming afhankelijk heeft gesteld van de termijnen in het Landsbesluit bezwaarschriften ambtenaren. Zodra aan deze voorwaarden is voldaan, staan de wettelijke rechtsmiddelen open. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend bezwaar.

Uitspraak

Zaaknummer: SXM202600703 - GAZ00022/2026
Uitspraakdatum: 3 juli 2026

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK
op het verzoek tot het treffen van een beslissing bij voorraad
als bedoeld in artikel 94 van Pro de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: RAr) van:

[verzoeker],

verzoeker,
gemachtigde: mr. P.A.M. BRANDON,
tegen

DE GOUVERNEUR VAN SINT MAARTEN,

gezeteld te Sint Maarten,
verweerder,
gemachtigde: mr. R.F. GIBSON JR.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 12 juni 2026 een verzoekschrift (met producties) als bedoeld in artikel 94 van Pro de RAr bij het Gerecht ingediend.
Verweerder heeft op 26 juni 2026 een contra-memorie (met producties) ingediend.
Bij brief van 24 juni 2026 heeft verzoeker aanvullende producties ingediend.
Het Gerecht heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 29 juni 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam beleidsmedewerker], bijgestaan door de gemachtigde mr. D. Schram. Partijen hebben op schrift gestelde pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.1.
Op grond van artikel 94, eerste lid, van de RAr kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.
1.2.
Artikel 17, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) bepaalt dat tegen beschikkingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de RAr bezwaar openstaat bij het bevoegd gezag.
1.3.
In het Landsbesluit bezwaarschriften ambtenaren (hierna: Lba) zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van bezwaarschriften. Artikel 3, derde en vierde lid, van het Lba bepaalt – voor zover hier van belang – wanneer sprake is van het niet tijdig nemen van een beschikking. Een belanghebbende kan het bevoegd gezag eerst schriftelijk in gebreke stellen nadat drie maanden zijn verstreken. Indien vervolgens niet binnen dertig dagen wordt beslist, is sprake van een fictieve weigering waartegen een bezwaarschrift kan worden ingediend.
Feiten en omstandigheden
2.1.
Verzoeker is als ambtenaar aangesteld bij het Ministerie van VROMI.
2.2.
Bij brief van 1 oktober 2024 heeft verweerder verzoeker met toepassing van artikel 92, aanhef en onder b, van de Lma geschorst in zijn ambt en bepaald dat zijn bezoldiging gedurende de schorsing volledig wordt ingehouden.
2.3.
Bij brief van 11 mei 2026 heeft verzoeker verweerder verzocht de schorsing en de inhouding van zijn bezoldiging op te heffen dan wel te herzien.
2.4.
Bij brief van 11 juni 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de gestelde fictieve weigering om op dit verzoek te beslissen. Het onderhavige verzoek strekt ertoe hangende dat bezwaar een voorziening bij voorraad te treffen.
Beoordeling
3.1.
Vaststaat dat verzoeker zijn bezwaar heeft ingediend één maand nadat hij zijn verzoek had ingediend. Op dat moment was de in artikel 3, vierde lid, van het Lba genoemde termijn van drie maanden nog niet verstreken. Verweerder kon daarom nog niet rechtsgeldig in gebreke worden gesteld. Van een fictieve weigering om op het verzoek van 11 mei 2026 te beslissen was daarom nog geen sprake.
3.2.
Hieruit volgt dat het bezwaar prematuur is ingediend. Nu ten tijde van het indienen van het verzoek om een voorziening bij voorraad geen ontvankelijk bezwaar aanhangig was als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de RAr, is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
3.3.
Gelet op het voorgaande komt het Gerecht niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door verzoeker aangevoerde gronden tegen de voortduring van de schorsing en de inhouding van zijn bezoldiging. Hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, behoeft daarom geen nadere bespreking.
3.4.
Deze niet-ontvankelijkverklaring berust uitsluitend op het oordeel dat ten tijde van het indienen van het bezwaar nog geen sprake was van een voor bezwaar vatbare fictieve weigering. Anders dan verzoeker betoogt, leidt dit niet tot het ontbreken van effectieve rechtsbescherming. De wetgever heeft rechtsbescherming tegen het uitblijven van een beslissing afhankelijk gesteld van de in artikel 3 van Pro het Lba genoemde termijnen. Nu aan die voorwaarden nog niet was voldaan, kon verzoeker nog geen beroep doen op de regeling inzake de fictieve weigering. Zodra wel aan die voorwaarden is voldaan, staan de wettelijke rechtsmiddelen voor hem open.
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechter in dit gerecht:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. B. Martinez-Hammer, ambtenarenrechter, bijgestaan door de griffier en uitgesproken in raadkamer op 3 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.