ECLI:NL:OGEAM:2026:94

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
SXM202600485
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid stichting wegens niet-naleving statuten bij bouwstopvordering

OPEF, een stichting belast met toezicht op de naleving van restrictieve voorwaarden in Oyster Pond Estate, vorderde een bouwstop en sloop van bouwwerken op het perceel van gedaagde. Gedaagde voerde aan dat OPEF niet rechtsgeldig optrad omdat de statutaire regels voor vertegenwoordiging niet waren nageleefd.

Tijdens de procedure bleek dat OPEF werd vertegenwoordigd door slechts één bestuurslid, terwijl de statuten vereisen dat twee gezamenlijk optredende bestuursleden, waaronder de voorzitter of secretaris, optreden. OPEF kon niet aantonen dat er een besluit van het gehele bestuur was genomen om deze procedure te voeren.

Het Gerecht oordeelde dat de stukken onvoldoende waren om ontvankelijkheid aan te nemen en gaf OPEF de gelegenheid dit te herstellen. De aanvullende stukken, waaronder aantekeningen van een bestuursvergadering, voldeden niet aan de vereisten. Daarom werd OPEF niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.

De procedure werd aangehouden om minnelijke afhandeling te proberen, maar dit mislukte. Het Gerecht wees erop dat OPEF na een formeel bestuursbesluit opnieuw een procedure kan starten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: OPEF is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van statutaire vertegenwoordigingseisen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202600485
Vonnis in kort geding: 17 juli 2026
in de zaak van
de stichting
OYSTER POND ESTATES FOUNDATION,
gevestigd in Sint Maarten,
eiseres,
gemachtigde: mr. K. Huisman,
tegen
[gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.
Partijen zullen hierna OPEF en [gedaagde] worden genoemd.
De zaak in het kort
Gedaagde bezit een perceel grond met woning in de Oyster Pond Estate. Hij is daarop bezig met bouwwerkzaamhden. OPEF vordert als toezichthouder op de naleving van de restrictieve voorwaarden een bouwstop. Het Gerecht volgt het verweer van gedaagde dat OPEF in deze procedure niet rechtsgeldig optreedt en verklaart OPEF daarom niet-ontvankelijk.
The Case in Brief
The defendant owns a parcel of land with a residence on it in the Oyster Pond Estate. He is currently carrying out construction work on the property. OPEF, as the regulatory authority responsible for enforcing the restrictive conditions, is seeking a halt to construction. The Court accepts the defendant’s argument that OPEF is not acting with legal standing in these proceedings and therefore declares OPEF’s claim inadmissible.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
OPEF heeft op 5 mei 2026 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens hebben beide partijen op 28 mei 2026 stukken ingediend. Op 29 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is verklaard.
1.2.
Volgens afspraak op de zitting heeft OPEF op 7 juni 2026 nog nadere stukken in het geding gebracht. [gedaagde] heeft daarop bij akte van 17 juni 2026 gereageerd.
1.3.
Daarna hebben partijen het Gerecht verzocht de beslissing in deze zaak aan te houden, omdat zij wilden proberen de kwestie in minnelijk overleg af te handelen. De gemachtigden van beide partijen hebben op 10 juli 2026 meegedeeld dat zij niet tot een akkoord zijn gekomen en hebben vonnis gevraagd.
1.3.
Vonnis is daarna bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1. [
gedaagde] bezit een perceel grond met woning in de Oyster Pond Estate. OPEF is als stichting onder andere belast met het toezicht op de naleving van de restrictieve voorwaarden, die voor Oyster Pond Estate van toepassing zijn.

3.Het geschil

3.1.
OPEF vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de bouwwerkzaamheden betrekking hebbende op het perceel omschreven in meetbrief SXM UPQ 568/1989 te staken en gestaakt te houden totdat de vereiste toestemming is verkregen overeenkomstig de Reservations and Restrictive Covenants on the Oyster pond Estates Subdivision, zoals geregistreerd bij het Kadaster op 17 juli 1987 in Register C, Volume 80, nummer 38, zulks op straffe van verbeurte van een verschuldigde dwangsom van USD 1.500,-- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] geen gehoor geeft aan dat bevel;
[gedaagde] te bevelen om binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis ieder bouwsel dat in strijd met de Reservations and Restrictive Covenants on the Oyster pond Estates Subdivision, is gebouwd, af te breken en afgebroken te houden, met afvoering van al het daardoor veroorzaakte puin of bouwafval naar de gemeenschappelijke vuilstortplaats van Sint Maarten, zulks op straffe van verbeurte van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van USD 1.500,-- per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde geen gehoor geven aan dat bevel;
[gedaagde] te bevelen om binnen vier weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis alle op het perceel, omschreven in meetbrief SXM UPQ 014/1988, gerealiseerde bouwsels en/of constructies — voor zover deze in strijd zijn met de geldende Reservations and Restrictive Covenants on the Oyster Pond Estates Subdivision en de vaststellingsovereenkomst van 25 juni 2008, waarin is bepaald dat het gebruik is beperkt tot een eengezinswoning met toegestaan enkel gastenverblijf — te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 1.500,-- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen.
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen van OPEF.
De ontvankelijkheid van OPEF
4.2. [
[gedaagde] heeft ter zitting de niet-ontvankelijkheid van OPEF bepleit. Dat standpunt is gebaseerd op zijn stelling dat OPEF in deze procedure niet rechtsgeldig optreedt. [gedaagde] heeft daarvoor verwezen naar artikel 7 lid 9 van Pro de statuten van OPEF. Daarin wordt het volgende bepaald:
“The foundation will be represented in and out of court by two duly authorized jointly acting board members, one of which will be the chairman or the secretary.”
4.3.
Uit het overgelegde uittreksel uit het Handelregister blijkt dat het bestuur van OPEF op dit moment wordt gevormd door drie leden: de heer [V] als voorzitter, mevrouw [W] als secretaris en mevrouw [R] als lid. Ter zitting is de heer [V] namens OPEF verschenen. Hij verklaarde dat het optreden van OPEF in deze procedure een beslissing van het gehele bestuur is geweest. Twee dagen voor de zitting was er nog een bestuursvergadering geweest, maar de notulen daarvan moesten nog worden gemaakt, aldus de voorzitter.
4.4.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het Gerecht als oordeel uitgesproken dat de op dat moment voorhanden stukken niet voldoende waren om de ontvankelijkheid van OPEF te kunnen aannemen. OPEF is vervolgens in de gelegenheid gesteld om het verzuim te “repareren”, door alsnog de desbetreffende verklaringen of besluiten in het geding te brengen.
4.5.
Bij emailbericht van 7 juni 2026 heeft de gemachtigde van OPEF twee stukken in het geding gebracht: de statuten van OPEF en “de notulen van de bestuursvergadering van 27 mei 2026”.
4.6.
Bij akte van 17 juni 2026 heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat een en ander nog steeds niet leidt tot ontvankelijkheid, omdat de vereiste toestemming van het gehele bestuur blijft ontbreken.
4.7.
Het Gerecht is het met [gedaagde] eens. Een volmacht voor de voorzitter om in deze procedure alleen te verschijnen ontbreekt. Bovendien gaat het hier om een vergaande vordering van OPEF. Niet alleen vordert OPEF een bouwstop, maar ook het gedeeltelijk afbreken van de woning van [gedaagde]. Voor zo een vordering dienen de geldende regels van OPEF nauwkeurig te worden gevolgd. Dat geldt temeer, omdat OPEF zich omgekeerd in deze procedure op de voor [gedaagde] gelden bepalingen van de Restrictieve voorwaarden beroept.
OPEF is er niet in geslaagd om te onderbouwen dat er ten tijde van het instellen van de vordering een daartoe strekkend besluit van het bestuur was. Uit het overgelegde emailbericht van 5 juni 2026 van de secretaris volgt dat zij tijdens de bestuursvergadering van 27 mei 2026 aantekeningen heeft gemaakt, die zij ter commentaar toestuurt aan de voorzitter. Anders dan de gemachtigde stelt, zijn dit dus geen notulen. Maar belangrijker is nog dat ook uit de aantekeningen volgt dat er kennelijk een eerdere “agreement” was dat de voorzitter OPEF in de procedure tegen [gedaagde] zou vertegenwoordigen in deze zaak en voor het Gerecht. Die eerdere overeenkomst of dat besluit van het bestuur is echter niet in het geding gebracht.
4.8.
De conclusie moet dan ook zijn dat OPEF zich niet aan de eigen regels heeft gehouden en dat zij daardoor in deze kort geding procedure niet-ontvankelijk is.
Proceskosten
4.9.
OPEF zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op Cg 1.500 aan salaris voor de gemachtigde.
Opmerking Gerecht
4.10.
De procedure is ter zitting van 29 mei 2026 niet enkel aangehouden om OPEF in staat te stellen bewijs te leveren, maar ook omdat partijen nog zouden proberen de kwestie op minnelijke wijze af te handelen. Dat laatste is tot vandaag kennelijk niet gelukt. De beslissing om OPEF niet-ontvankelijk te verklaren heeft mogelijk tot gevolg, dat OPEF na een formeel besluit van het bestuur [gedaagde] opnieuw in een gerechtelijke procedure zal betrekken. Het Gerecht wijst partijen er in dat verband op dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling over het inhoudelijke geschil al een voorlopig oordeel heeft gegeven.

5.De beslissing

Het Gerecht:
Rechtdoende in kort geding:
5.1.
verklaart OPEF niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
5.2.
veroordeelt OPEF in de proceskosten, aan de zijde van de [gedaagde] tot op heden begroot op Cg 1.500;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.