ECLI:NL:OGEANA:2007:BG9133

Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen

Datum uitspraak
13 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
2006/36
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.J. Noordhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 7:414 BWNAArt. 7:422 BWNAArt. 3:72 BWNAArt. 7:600 BWNA
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vergoeding kosten behartiging zakelijke belangen nalatenschap

Eiser vordert betaling van US$ 165.371,84 wegens het behartigen van de zakelijke belangen van erflater [erflater 1] en de gemaakte kosten daarvoor. De nalatenschap van [erflater 1] bestaat uit twee woningen en inboedel, en is overgegaan op zijn broer [erflater 2], die inmiddels is overleden. De erven van [erflater 2] worden als gedaagden betrokken.

De rechtbank stelt vast dat niet duidelijk is welk recht de nalatenschap van [erflater 2], die onder het recht van de staat New York valt, beheerst. Dit maakt onduidelijk of de gedaagden als erfgenamen onder algemene titel aansprakelijk zijn voor de vorderingen van eiser. Daarom wordt een inlichtingencomparitie bij de notaris voorgesteld.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat de overeenkomst waarop eiser zijn vordering baseert waarschijnlijk een lastgeving betreft, die eindigt bij overlijden van de lastgever. Het is ook mogelijk dat sprake is van bewaarneming of zaakwaarneming. De rechtbank wijst de zaak aan voor overlegging van testamenten en nadere stukken en houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: Zaak aangehouden voor overlegging stukken en nadere beslissing.

Uitspraak

Vonnis van 13 maart 2007 nr. ...
Behorend bij A.R. nr. 36 van 2006
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN
ZITTINGSPLAATS SINT MAARTEN
VONNIS
in de zaak van:
[naam eiser]
te Sint Maarten, Nederlandse Antillen,
EISER,
hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. M.M. Hofman-Ruigrok,
tegen:
[gedaagde 1],
[gedaagde 2] (erven wijlen [naam erven])
en
ERVEN [naam erven]
in de Verenigde Staten van Amerika, woonplaats gekozen hebbend te Sint Maarten, Nederlandse Antillen,
GEDAAGDEN,
hierna ook te noemen: [gedaagden] c.s. respektievelijk [gedaagden 1en 2] en de Erven,
gemachtigde: de advocaat mr. R.F. Gibson jr.
DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 10 februari 2006 ingediende verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord van 15 augustus 2006;
- de conclusie van repliek van 7 november 2006;
- de conclusie van dupliek van 30 januari 2007.
Het vonnis werd bepaald op vandaag.
1. DE FEITEN
1.1. Voor zover voor de beslissing van belang wordt in deze zaak van de volgende vaststaande of niet voldoende tegengesproken feiten uitgegaan.
1.2. Op 5 juli 2003 is de heer [naam erflater 1] te Sint Maarten overleden met, afgezien van enige legaten, achterlating van zijn broer [naam overleden broer van erflater 1] als enig testamentair erfgenaam<SUP>1</SUP>. Deze is overleden op 25 november 2003 in de staat New York, Verenigde Staten van Amerika. Erflaters worden verder gemakshalve alleen met de voornaam aangeduid als [erflater 1] respectievelijk [erflater 2].
1.3. [erflater 2] heeft over zijn nalatenschap<SUP>2</SUP> beschikt bij testament opgemaakt naar het recht van de staat New York.
2. DE VORDERING EN HET VERWEER
2.1. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagden 1 en 2 en de Erven], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van US$ 165.371,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2006 met veroordeling van [gedaagden 1 en 2 en de Erven] tot betaling van de proceskosten, waaronder de beslagkosten.
2.2. [eiser] grondt de vordering erop dat hij de zakelijke belangen van [erflater 1] heeft behartigd en daarvoor kosten heeft gemaakt die moeten worden vergoed.
2.3. [gedaagden 1 en 2 en de Erven] voeren gemotiveerd verweer dat voor zover voor de beslissing van belang hieronder zal worden besproken.
3. DE BEOORDELING
3.1. Zoals uit de feitenopsomming volgt zijn er geen gezamenlijke erfgenamen van [erflater 1] meer. Er was slechts een testamentaire erfgenaam, zijn broer [erflater 2]. Tot diens vermogen behoren dus ook de activa en passiva waaruit de nalatenschap van [erflater 1] bestaat nu [erflater 2] diens rechtsopvolger onder algemene titel is. [erflater 2] is inmiddels overleden. De hierboven genoemde activa en passiva vormen dus onderdeel van die nalatenschap.
3.2. De vraag die door [gedaagden 1 en 2 en de Erven] als eerste aan de orde wordt gesteld is of zij naar het recht van de staat New York wel opvolger onder algemene titel zijn van [erflater 2] en daarmee uit dien hoofde gehouden zijn eventuele vorderingen van [eiser] op de nalatenschap van [erflater 1] en nadien [erflater 2] moeten voldoen.
3.3. Uit de verklaring van erfrecht van notaris Steeman lijkt te volgen dat [gedaagde 1] enig testamentair erfgenaam is van [erflater 2]<SUP>3</SUP>. Uit de verklaring van de heer Groman, advocaat te New York, kan mogelijk eveneens te volgen dat [gedaagde 1] enig testamentair erfgenaam van [erflater 2] is. Maar evengoed kan zij zijn aangewezen als legataris<SUP>4</SUP>. Hieruit kan dus nog niet volgen dat naar het recht van de staat New York - welk recht de nalatenschap van [erflater 2] beheerst - [gedaagde 1], laat staan Weinstock die alleen als executeur testamentair wordt genoemd, persoonlijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de nalatenschap(pen).
3.4. Ten einde daarover meer duidelijkheid te krijgen dienen eerst de testamenten van [erflater 1] en [erflater 2] in kopie overgelegd te worden. Daarna ligt het voor de hand dat een inlichtingencomparitie wordt gelast waarbij notaris Steeman zal worden uitgenodigd.
3.5. Afgezien van het bovenstaande wil het gerecht op voet van art. 118 Wetboek Pro van burgerlijke rechtsvordering echter het volgende aan partijen voorleggen. [eiser] baseert zijn vordering - onder andere - op een overeenkomst van opdracht met [erflater 1]. Naar het gerecht van oordeel is zou die opdracht dan mede het verrichten van rechtshandelingen hebben moeten omvatten omdat [eiser] ook betaling van nutsvoorzieningen en ten behoeve van de onroerende zaken verstrekte opdrachten zoals voor bewaking en tuinonderhoud behelst. Een dergelijke overeenkomst van opdracht kwalificeert echter als lastgeving<SUP>5</SUP> en die eindigt bij de dood van de lastgever<SUP>6</SUP>. Overigens is de vraag of wel sprake kan van een opdracht in de zin van art. 7:400 BWNA Pro. Het lijkt er eerder op dat sprake kan zijn van bewaarneming<SUP>7</SUP> of een overeenkomst sui generis of zaakwaarneming<SUP>8</SUP>, dat laatste in zoverre [eiser] zijn bevoegdheid niet aan enige rechtsverhouding tot [erflater 1] heeft ontleend; een standpunt dat [eiser] gezien zijn primaire stellingen alleen subsidiair kan innemen.
3.6. Verder heeft [gedaagde 1] aangegeven dat haar raadsman in maart 2003 heeft meegedeeld dat hij niet bevoegd was zich met de nalatenschap te bemoeien. Mocht dat het geval zijn dan valt niet onmiddellijk in te zien op welke grond [eiser] zich nadien met het ‘beheer’ van de nalatenschap heeft beziggehouden.
3.7. Ook hierover zal te zijner tijd met partijen van gedachten worden gewisseld.
3.8. Het gerecht zal de zaak naar de rol verwijzen voor overlegging stukken en iedere verdere beslissing aanhouden.
DE UITSPRAAK:
De rechter in dit gerecht:
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 april 2007 om 8.30 voor akte houdende overlegging van schriftelijke stukken zijdens [gedaagden 1 en 2 en de Erven];
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 13 maart 2007 in aanwezigheid van de griffier.
<SUP>1</SUP> <SMALL>Een kopie van het testament bevindt zich niet het dossier; afgegaan wordt op de verklaring van erfrecht van notaris L.M. Steeman van 15 september 2005.</SMALL>
<SUP>2</SUP> <SMALL>Voor zover voor Sint Maarten van belang bestaat de nalatenschap wat haar activa betreft alleen uit twee woningen met zich daarin bevindende roerende zaken/inboedelgoederen.</SMALL>
<SUP>3</SUP> <SMALL>Sole heir at law; aangenomen moet waarschijnlijk worden dat [erflater 2] zowel testamentair als ab intestaat enig erfgenaam was. </SMALL>
<SUP>4</SUP> <SMALL>In de verklaring van erfrecht van mr. Steeman wordt zij aangeduid als “sole beneficiary”, in de brief van Groman als “sole residuary legatee” en executeur testamentair. </SMALL>
<SUP>5</SUP> <SMALL>Art. 7:414 BWNA Pro.</SMALL>
<SUP>6</SUP> <SMALL>Art. 7:422 BWNA Pro. Ook een volmacht eindigt overigens door de door van de volmachtgever, art. 3:72 onder Pro a BWNA.</SMALL>
<SUP>7</SUP> <SMALL>Art. 7:600 BWNA Pro.</SMALL>
<SUP>8</SUP> <SMALL>Art. 6:198 BWNA Pro.</SMALL>