ECLI:NL:OGHACMB:2011:BP6509

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
18 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
EJ 419/10 – H. 224/10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1615o lid 1 BWAArt. 7A:1615o lid 3 BWAArt. 7A:1615r BWAArt. 7A:1615s BWAArtikel 4 Vakantieverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens ongeoorloofde afwezigheid na vakantie kennelijk onredelijk

De werkneemster werd ontslagen op staande voet omdat zij na haar vakantie langer ongeoorloofd afwezig was gebleven. Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) oordeelde dat er geen dringende reden was voor het ontslag en kende een schadevergoeding toe wegens kennelijk onredelijk ontslag.

ATC, de werkgever, ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde dat het vakantiebeleid niet in strijd was met de wet en dat het ontslag terecht was. Het Hof bevestigde dat het vakantiebeleid van ATC niet onwettig was, maar oordeelde dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet, mede omdat ATC deze sanctie niet vooraf had aangekondigd.

Het Hof vond het ontslag kennelijk onredelijk vanwege de onevenredigheid tussen het belang van ATC en de nadelige gevolgen voor de werkneemster. Wel werd de schadevergoeding naar billijkheid vastgesteld op een lager bedrag dan door het GEA toegekend, namelijk Afl. 10.000 in plaats van Afl. 15.000. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt kennelijk onredelijk geoordeeld en de schadevergoeding wordt vastgesteld op Afl. 10.000.

Uitspraak

Registratienrs. EJ 419/10 – H. 224/10
Uitspraak: 18 januari 2011
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN
VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking in de zaak van:
de naamloze vennootschap ARUBA HANDELSMAATSCHAPPIJ N.V., h.o.d.n. Aruba Trading Company,
gevestigd in Aruba,
hierna te noemen: ATC,
oorspronkelijk verweerster, thans appellante,
gemachtigden: mrs. E.R. Zeppenfeldt en R.A. Wix,
tegen
[werkneemster],
wonend in Aruba,
hierna te noemen: de werkneemster,
oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. P.R.C. Brown.
Het verloop van de procedure
1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in de zaak met EJ nummer 419 van 2010 gegeven en op 9 juni 2010 uitgesproken beschikking. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.
1.2. ATC is bij beroepschrift, ingekomen op 29 juni 2010, in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hierin heeft zij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de werkneemster alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de werkneemster in de kosten van beide instanties.
1.3. De werkneemster heeft in een verweerschrift het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking.
1.4. Op 14 december 2010 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn mr. Wix als gemachtigde van ATC, de gemachtigde van de werkneemster en de echtgenoot van de werkneemster. Door mr. Wix is een pleitnota overgelegd.
1.5. Partijen hebben om een beschikking gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.
2. De gronden van het hoger beroep
Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.
3. Beoordeling
3.1. De werkneemster is bij brief van 28 juli 2009 ontslagen op de grond dat zij op 27 juli 2009 ongeoorloofd afwezig was op haar werk. Het GEA heeft geen dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 BWA aanwezig geacht en deswege ATC schadeplichtig geacht (artikel 7A:1615r jo artikel 7A:1615o lid 3 BWA). Voorts heeft het GEA het ontslag kennelijk onredelijk geacht en deswege een schadevergoeding naar billijkheid toegekend (artikel 7A:1615s BWA). Tegen deze beslissingen richt zich het appel van ATC.
3.2. Het hoger beroep slaagt voor zover wordt aangevoerd dat het GEA ten onrechte het vakantiebeleid van ATC, inhoudende dat behoudens hardheidsgevallen maximaal twee weken aaneengesloten mag worden opgenomen, in strijd met de wet heeft geacht.
3.3. Artikel 4 van Pro de Vakantieverordening (AB 1993 no. GT 11) luidt:
1. De vakantie wordt bij voorkeur onafgebroken verleend.
2. Indien de arbeider het verzoekt of de werkzaamheden het wenselijk maken, kan de vakantie worden gesplitst. Ten minste de helft van de vakantie wordt echter aaneensluitend verleend.
3. De beslissing omtrent het tijdstip waarop de vakantie zal ingaan, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie overigens zal worden gesplitst, berust bij de werkgever. Daarbij dient, voor zover de belangen van het bedrijf en die van het overige personeel dit toelaten, zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de wensen van de arbeider.
3.4. Ter zitting is gebleken dat de werkneemster jaarlijks 15 vakantiedagen genoot, zodat door het desbetreffende beleid van ATC artikel 4 lid Pro 2, tweede volzin, van de Vakantieregeling niet wordt geschonden. Voorts was de werkneemster kennelijk in beginsel wel vrij het begintijdstip van haar vakantie te kiezen. Wat betreft de lengte van de vakantie gold voorts een uitzonderingsmogelijkheid in hardheidsgevallen; ter zitting in hoger beroep zijn daarvan gevallen genoemd. Naar het oordeel van het Hof is, gelet op het voorgaande, het beleid in het onderhavige geval niet strijdig met artikel 4 Vakantieverordening Pro.
3.5. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615o lid 1 BWA moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daartoe behoren niet alleen de aard en de ernst van hetgeen ATC als dringende reden aanmerkt, in de beschouwing te worden betrokken, maar onder meer ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werkneemster die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werkneemster, zoals diens leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor haar zou hebben.
3.6. Het Hof acht alles afwegend een dringende reden niet aanwezig. Weliswaar is, zoals hiervóór is overwogen, het vakantiedagenbeleid van ATC niet onwettig en moet worden aangenomen dat de werkneemster tevoren reeds het voornemen had langer dan twee weken weg te blijven, maar de overige door het GEA opgesomde omstandigheden zijn van zodanig gewicht dat een ontslag op staande voet een te strenge sanctie was. Hierbij weegt mee dat ATC deze sanctie niet tevoren heeft aangekondigd.
3.7. Het Hof acht het ontslag eveneens kennelijk onredelijk. ATC heeft de onevenredigheid tussen haar eigen belang bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de nadelige gevolgen daarvan voor de werkneemster uit het oog verloren. Ook hier heeft het Hof alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking genomen.
3.8. Wel ziet het Hof in het gedrag van de werkneemster aanleiding de schadevergoeding naar billijkheid te stellen op een lager bedrag dan Afl. 15.000,= en wel op Afl. 10.000,= (onder aftrek van een eventueel verschuldigde cessantiauitkering).
3.9. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking kan worden bevestigd, behoudens wat betreft de hoogte van de schadevergoeding naar billijkheid. In de uitkomst van de procedure ziet het Hof aanleiding de kosten van de procedure in hoger beroep te compenseren.
4. Beslissing
Het Hof:
- bevestigt de bestreden beschikking, met dien verstande dat de schadevergoeding naar billijkheid wordt bepaald op Afl. 10.000,= in plaats van Afl. 15.000,=;
- compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, E.M. van der Bunt en H.J. van Kooten, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2011 in Aruba, in aanwezigheid van de griffier.