ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ4544

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
15 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AR 1945/06 – H. 309/09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWAArt. 8 Landsverordening overgangsbepalingen Nieuw BWArt. 32 Faillissementsverordening
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis over verjaring schadevordering na faillissement

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de schadevordering van Nizaam Investment N.V. tegen geïntimeerde was verjaard. De gebeurtenis waarop de vordering was gebaseerd vond plaats in 1997. Hoewel Nizaam op 3 november 1998 bekend was met de schade en de aansprakelijke persoon, was de vordering verjaard per 3 november 2003 volgens artikel 3:310 lid 1 BWA Pro.

Echter werd de verjaring gestuit door de indiening van de vordering ter verificatie bij het faillissement van geïntimeerde in 2000, waardoor een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen. Dit faillissement eindigde op 5 oktober 2000, waarna de nieuwe termijn in principe op 22 februari 2005 zou aflopen. Nizaam kon niet aantonen dat de verjaring eerder was gestuit.

Het hof oordeelde dat het beroep op verjaring door geïntimeerde gegrond was en dat Nizaam onvoldoende had onderbouwd dat er in 1997 geen schuld bestond aan de geëxecuteerde. De eerdere schuldvermelding in jaarstukken en het ontbreken van een verklaring voor latere omzetting van schulden waren onvoldoende om de vordering te handhaven. Het hof bevestigde het bestreden vonnis en veroordeelde Nizaam in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de schadevordering is verjaard en wijst het hoger beroep van Nizaam af.

Uitspraak

ZAAKNR.: AR 1945/06 – H. 309/09
UITSPRAAK: 15 maart 2011
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
vonnis in de zaak van:
NIZAAM INVESTMENT N.V.,
gevestigd in Aruba,
oorspronkelijk eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. E.H.J. Martis,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in Aruba,
oorspronkelijk gedaagde,
gemachtigde: mr. C.F.K.J. Lejuez.
Partijen worden hierna weer aangeduid als Nizaam en [geïntimeerde].
Nader verloop van de procedure
1.1. Het Hof verwijst voor het verloop tot dan toe naar zijn tussenvonnis van 21 september 2010.
1.2. Op 16 november 2010 heeft Nizaam een akte ter uitlating tevens houdende akte ter vermeerdering van eis, met producties, genomen. Hierin is een wijziging van eis opgenomen (onder punt 5). Nizaam vordert thans tot Afl. 215.870,=.
1.3. [geïntimeerde] heeft gelijktijdig een akte, met producties, genomen.
1.4. Op 18 januari 2011 heeft [geïntimeerde] een contra-akte genomen en Nizaam een akte ter uitlating producties, met producties.
1.5. Op 15 februari 2011 heeft [geïntimeerde] een akte uitlating producties genomen.
1.6. Partijen hebben wederom vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.
2. Beoordeling
2.1. Het hoger beroep van Nizaam is ongegrond. [geïntimeerde] heeft met vrucht op verjaring beroep gedaan. De gebeurtenis waarop Nizaam haar schadevergoedingsvordering baseert heeft plaats gevonden in 1997. Veronderstellenderwijs aangenomen dat [geïntimeerde] aansprakelijk was, was Nizaam op 3 november 1998 bekend met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon (inleidend verzoekschrift, onder 5). Haar rechtsvordering tot vergoeding van schade zou daardoor op 3 november 2003 verjaren (artikel 3:310 lid 1 BWA Pro; de uitzondering van artikel 8 Landsverordening Pro overgangsbepalingen Nieuw BW doet zich hier niet voor). [geïntimeerde] is echter in of omstreeks 1999 failliet verklaard en Nizaam heeft haar vordering ter verificatie ingediend bij brief van 22 februari 2000.
2.2. Artikel 32 Faillissementsverordening bepaalt dat indiening van een vordering ter verificatie stuiting van de verjaring ten gevolge heeft. Irrelevant is of [geïntimeerde] van de indiening op de hoogte is gesteld.
2.3. Op 22 februari 2000 is derhalve een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen, met dien verstande dat deze niet kon aflopen gedurende het faillissement (vgl. HR 23 oktober 1953, NJ 1954, 2) (ingevolge het hier niet toepasselijke nieuwe artikel 32 Faillissementsverordening [AB 2009, 22] loopt een verjaringstermijn die zou aflopen gedurende het faillissement nog door gedurende zes maanden na het faillissement). Het faillissement is echter geëindigd bij vonnis van het GEA van 5 oktober 2000, EJ 61/00 (productie 8 bij akte [geïntimeerde] van 16 november 2010).
2.4. De nieuwe verjaringstermijn is derhalve in beginsel afgelopen op 22 februari 2005. Niet is gebleken dat voordien de verjaring is gestuit.
2.5. Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Nizaam was voldoende zeker van haar zaak om een vordering ter verificatie in te dienen. Dat bij [geïntimeerde] onduidelijkheid zou hebben bestaan omtrent de vermeende schuld van Nizaam aan Ardu is irrelevant.
2.6. Bij het voorgaande komt dat Nizaam niet voldaan heeft aan haar stelplicht wat betreft het ontbreken van een schuld van Nizaam in 1997 aan de geëxecuteerde (Ardu). Zowel de ontwerp-jaarstukken van Ardu over 1995 als de ontwerp-jaarstukken van Nizaam over 1995 maken melding van een grote schuld van Nizaam aan Ardu. Dat deze schuld van Nizaam aan Ardu in de ontwerp-jaarstukken van Nizaam (en die van Watapana) over 2006 en 2007 is ‘omgezet’ in een schuld van Nizaam aan Watapana is onverklaard gebleven. Dat er in 1997 in het geheel geen schuld (meer) bestond, terwijl wel bouw- en beheerswerkzaamheden ten behoeve van Nizaam hebben plaatsgehad, is onvoldoende gesubstantieerd.
2.7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. Nizaam draagt de kosten van het hoger beroep.
3. Beslissing
Het Hof bevestigt het bestreden vonnis en veroordeelt Nizaam in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en tot op heden begroot op Afl. 9.300,= aan gemachtigdensalaris en Afl. 201,= aan verschotten.
Aldus gewezen door mrs. J. de Boer, J.R. Sijmonsma en J.P. de Haan, leden van het Hof, en ter openbare terechtzitting van 15 maart 2011 in Aruba uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.