Appellant, een internationaal zakenman gespecialiseerd in luchtvaartzaken, werd tijdens zijn verblijf in het Renaissance hotel in Curaçao door beveiligingsmedewerkers aangesproken en gemaand het hotel te verlaten, waarna hem de toegang tot het hotel werd geweigerd. Hij vorderde in kort geding vrije en onvoorwaardelijke toegang tot alle voor het publiek toegankelijke ruimtes van het hotel, waaronder de lobby, het restaurant en de vergaderzalen.
De eerste aanleg wees de vordering af, waarna appellant hoger beroep instelde. Riffort voerde onder meer aan dat appellant in het verleden betrokken was bij een mishandelingsincident op een casino op een ander eiland en een openstaande schuld had, wat het belang van Riffort bij weigering van toegang zou rechtvaardigen.
Het Hof oordeelde dat het belang van appellant om toegang te verkrijgen aannemelijk is, mede vanwege zijn zakelijke vergaderingen in het hotel. De aangevoerde redenen van Riffort waren onvoldoende om een uitzondering op het uitgangspunt van vrije toegang te rechtvaardigen. Het incidenteel hoger beroep van Riffort werd verworpen, het principaal hoger beroep toegewezen, en het vonnis van eerste aanleg integraal vernietigd.
Riffort werd veroordeeld om appellant vrije en onvoorwaardelijke toegang te verschaffen tot de publieke ruimtes van het hotel en tot betaling van dwangsommen bij niet-naleving, met een maximum van Afl. 15.000,--. Tevens werd Riffort veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.