ECLI:NL:OGHACMB:2013:CA3297

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
26 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
Ghis 58657 – KG 738/10 - H 323/12
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377b BW Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling informatieplicht vader en afwijzing gezamenlijk gezag en omgangsregeling

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beschikking inzake het gezag en omgangsregeling over een minderjarig kind geboren in 2007 in Aruba. De vader, appellant, vorderde gezamenlijk ouderlijk gezag en een omgangsregeling, alsmede naleving van eerdere omgangsafspraken en informatieverstrekking over het kind.

De moeder, geïntimeerde, betwistte deze vorderingen en handhaafde de bestreden beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling op 19 februari 2013 verschenen beide partijen met hun gemachtigden.

Het Hof concludeerde dat de moeder een te sterke weerstand en wantrouwen vertoonde om verantwoord gezamenlijk gezag en omgangsregeling vast te stellen. Dit wantrouwen kon niet worden doorbroken. De vader erkende dit en gaf aan dat hij het proces had voortgezet om zijn inspanningen voor contact met het kind te tonen.

Het Hof oordeelde dat de moeder wel periodiek moet voldoen aan de wettelijke informatieplicht ex artikel 1:377b BW Aruba, zodat de vader op de hoogte wordt gehouden van belangrijke aangelegenheden omtrent het kind. De overige verzoeken van de vader werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De moeder is veroordeeld tot periodieke informatieverstrekking aan de vader; het verzoek tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling is afgewezen.

Uitspraak

Registratienrs. Ghis 58657 – KG 738/10 - H 323/12
Uitspraak: 26 maart 2013
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN
ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN
BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Beschikking in de zaak van:
[ ],
wonende in Aruba,
hierna te noemen: de vader,
oorspronkelijk eiser en vervolgens verzoeker, thans appellant,
gemachtigde: mr. N.S. Gravenstijn,
tegen
[ ],
wonende in Aruba,
hierna te noemen: de moeder,
oorspronkelijk verweerster, thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr.drs. T.D. Croes-Fernandes,
partijen zijnde de ouders van:
[kind], geboren op [datum] 2007 in Aruba,
hierna te noemen: het kind.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met KG nummer 738 van 2010 gegeven en op 13 april 2010 uitgesproken vonnis alsmede de op 5 oktober 2010 en 31 mei 2011 uitgesproken tussenbeschikkingen en de op 1 november 2011 uitgesproken eindbeschikking. De inhoud van die uitspraken geldt als hier ingevoegd.
1.2. De vader heeft in een beroepschrift, met producties, ingekomen op 21 november 2011, dus tijdig, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde eindbeschikking. Hierin heeft hij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
de ouders gezamenlijk zal belasten met het ouderlijk gezag, de moeder zal bevelen tot naleving van de bij beschikking van 6 december 2007 (EJ 3370/07) en het proces-verbaal van 21 december 2007 (KG 4273/07) vastgestelde omgangsregeling alsmede de uitbreiding daarvan zal toewijzen en de moeder zal gelasten ex artikel 1:377b BW tot het verschaffen van informatie over de ontwikkeling van het kind en belangrijke aangelegenheden het kind aangaande;
subsidiair:
een op te bouwen contactherstel en omgangsregeling tussen vader en het kind zal vaststellen, al dan niet met bepaling dat het kind, conform de adviezen van de deskundigen, onder behandeling wordt gesteld om toe te werken naar contactherstel en omgang met de vader, althans
meer subsidiair:
zodanige ander redelijke en billijke beslissingen zal nemen als het Hof na afweging van alle belangen in goede justitie in dezen zal vermenen te behoren,
korten rechtens.
1.3. De moeder heeft in een verweerschrift, met productie, het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van de vader in de kosten.
1.4. Op 19 februari 2013 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De vader en moeder zijn verschenen, vergezeld van hun gemachtigden. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.
1.5. Beschikking is bepaald op heden.
2. De gronden van het hoger beroep
Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.
3. Beoordeling
3.1. Op basis van de stukken en de waarneming van het Hof ter zitting in hoger beroep kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de weerstand en het wantrouwen van de moeder, bij wie het kind verblijft, te sterk zijn om verantwoord een gezamenlijk gezag en een omgangsregeling vast te stellen. Het Hof ziet geen mogelijkheden deze weerstand en dit wantrouwen te doorbreken.
3.2. Ook de vader, thans getrouwd met twee kinderen, lijkt – moe gestreden – dit in te zien. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij heeft doorgezet tot in hoogste feitelijke instantie, opdat in elk geval het kind later zal weten dat hij als vader alles in het werk heeft gezet om met haar contact te krijgen.
3.3. Terecht heeft de gemachtigde van de vader zich ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verzet tegen de, overigens niet in het dictum, neergelegde overweging van het GEA in de bestreden beschikking (rov. 2.7) dat de ontzegging van het recht op omgang aan een termijn, namelijk tot het bereiken door het kind van de 12-jarige leeftijd, moet worden gebonden. Mede gelet op hetgeen in de zaak Nekvedavicius tegen Duitsland, EHRM (decision) 19 juni 2003, no. 46165/99, door het Europese Hof voor de rechten van de mens is overwogen omtrent de geldingsduur van een beslissing waarbij de rechter een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen ouder en kind afwijst, moet gelden dat elke afwijzing van een dergelijk verzoek tijdelijk van aard is, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen (HR 27 februari 2009, LJN: BG5045, NJ 2009, 164).
3.4. Van de moeder kan wel worden gevergd dat zij periodiek voldoet aan de wettelijke informatieplicht neergelegd in artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk wetboek van Aruba. Het belang van het kind brengt niet mee dat ook dit recht de vader wordt ontzegd.
3.5. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd. De moeder zal worden veroordeeld periodiek te voldoen aan haar informatierecht. De overige verzoeken van de vader worden afgewezen. Gelet op de aard van de procedure worden de proceskosten gecompenseerd.
4. Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt de moeder de vader periodiek op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind;
- wijst af het meer of anders verzochte;
- compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, J.P. de Haan en J.Th. Drop, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2013 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.