Uitspraak
thans wonende in Nederland,
gemachtigde: mr. G.A. Mercalina.
1.Het verloop van de procedure
2.Beoordeling
Caribisch Juristenblad2014/1, p. 52-53 heeft het Hof in de aldaar genoemde zaak als volgt geoordeeld:
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft in hoger beroep geoordeeld over de alimentatieplicht van een vader jegens zijn in Nederland studerende zoon. De vader was door het Gerecht in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van alimentatie tot de 25-jarige leeftijd van de zoon, conform het Curaçaose recht (Art. 1:395a lid 3 BW Cur). Het hof stelde vast dat de zoon sinds 26 juni 2013 in Nederland studeert en daar zijn gewone verblijfplaats heeft.
Op grond van het Haags alimentatieverdrag 1973 en het internationaal privaatrecht is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde van toepassing. Aangezien de zoon in Nederland verblijft, is Nederlands recht van toepassing vanaf 26 juni 2013. Dit betekent dat de alimentatieplicht eindigt bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd, in tegenstelling tot het Curaçaose recht dat een plicht tot 25 jaar kent.
Het hof vernietigde daarom de eerdere beschikking en bepaalde dat de vader alimentatie moet betalen tot de 21-jarige leeftijd van de zoon, zijnde 22 oktober 2014. De vader was nog niets verschuldigd over de periode vanaf 1 januari 2013 en moest dit bedrag van NAf 12.430,- afbetalen in maandelijkse termijnen van NAf 700,- vanaf 1 september 2014. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De alimentatieplicht van de vader wordt beperkt tot de 21-jarige leeftijd van de zoon, met aflossing van achterstallige betalingen.