Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2014:65

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
24 januari 2014
Publicatiedatum
15 december 2014
Zaaknummer
HLAR 63998/13
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 9 Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijvenArtikel 1 eerste lid Landsbesluit doorberekening toezichtskosten geldtransactiebedrijvenArtikel 2 eerste lid Landsbesluit doorberekening toezichtskosten geldtransactiebedrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van kostenverhaal toezicht geldtransactiebedrijven volgens Landsbesluit

Union Caribe N.V. stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg Aruba, waarin kosten van toezicht op geldtransactiebedrijven door de Centrale Bank van Aruba waren opgelegd.

De Centrale Bank had voor het jaar 2010 een forfaitair bedrag van 150.000 gulden verdeeld over geregistreerde geldtransactiebedrijven in rekening gebracht. Union Caribe betoogde dat alleen daadwerkelijke toezichtskosten in rekening mochten worden gebracht en dat het forfaitaire karakter van het bedrag in strijd was met de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven.

Het Hof oordeelde dat artikel 9 van Pro de Verordening duidelijk toestaat dat kosten worden verhaald volgens regels gesteld bij landsbesluit, en dat het Landsbesluit met het forfaitaire bedrag niet in strijd is met deze bepaling. De Memorie van Toelichting kan hieraan niet afdoen.

Daarom verklaarde het Hof het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling op te leggen.

Uitkomst: Het hoger beroep van Union Caribe wordt ongegrond verklaard en de kostenregeling bevestigd.

Uitspraak

HLAR 63998/13
Datum uitspraak: 24 januari 2014
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de naamloze vennootschap Union Caribe N.V., gevestigd te Aruba,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 9 januari 2013 in zaak nr. Lar nr. 1168 van 2012 in het geding tussen:
appellant
en
de Centrale Bank van Aruba.

Procesverloop

Bij beschikking van 17 oktober 2011 heeft de Centrale Bank van Aruba (hierna: de Bank) aan appellante (hierna: Union Caribe) kosten van uitvoering van de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven over het jaar 2010 in rekening gebracht.
Bij beschikking van 15 maart 2012 heeft de Bank het door Union Caribe daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 januari 2013 heeft het Gerecht het door Union Caribe daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking gedeeltelijk vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven.
Tegen die uitspraak heeft Union Caribe hoger beroep ingesteld.
De Bank heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2013, waar Union Caribe, vertegenwoordigd door mr. E.M.J. Cafarzuza, advocaat, en de Bank, vertegenwoordigd door mr. A.A.D.A. Carlo, advocaat, zijn verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 9 van Pro de Landsverordening toezicht geldtransactiebedrijven (hierna: de Verordening) kunnen kosten, verbonden aan de uitvoering van de Verordening, de Bank gehoord, volgens bij landsbesluit houdende algemene maatregelen te stellen regels op de geregistreerde geldtransactiebedrijven worden verhaald.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Landsbesluit doorberekening toezichtskosten geldtransactiebedrijven (hierna: het Landsbesluit) brengt de Bank jaarlijks vóór 1 december bij de geregistreerde geldtransactiebedrijven een bedrag van Afl. 150.000,00 in rekening voor de door haar ter uitvoering van de Verordening over het afgelopen kalenderjaar gemaakte kosten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, verdeeld over de geregistreerde geldtransactiebedrijven op basis van de verhouding van de bruto‑omzet van een geregistreerd geldtransactiebedrijf ten opzichte van de totale bruto‑omzet van de geregistreerde geldtransactiebedrijven.
Union Caribe betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat de artikelen 1, eerste lid, en 2, eerste lid, van het Landsbesluit in strijd zijn met de Verordening, nu uit de Memorie van Toelichting volgt dat uitsluitend daadwerkelijke toezichtskosten, gemaakt ten behoeve van het toezicht op geldtransactiebedrijven, in rekening mogen worden gebracht, terwijl ingevolge die bepalingen van het Landsbesluit een forfaitair bedrag in rekening wordt gebracht, ongeacht of ten behoeve van een geldtransactiebedrijf kosten in verband met toezichtswerkzaamheden zijn gemaakt. Die bepalingen van het Landsbesluit zijn daarom onverbindend, aldus Union Caribe.
2.1.
Dat betoog faalt. Ingevolge artikel 9 van Pro de Verordening worden kosten, verbonden aan de uitvoering van de Verordening, volgens bij landsbesluit houdende algemene maatregelen te stellen regels op de geregistreerde geldtransactiebedrijven verhaald. Voor het betoog van Union Caribe dat aan haar uitsluitend kosten die daadwerkelijk in verband met toezicht op haar geldtransactiebedrijf zijn gemaakt, in rekening mogen worden gebracht, biedt die bepaling geen aanknopingspunten. Aan de duidelijke bewoordingen van die bepaling kan niet worden afgedaan door de Memorie van Toelichting of de door Union Caribe daaraan gegeven uitleg.
In het betoog van Union Caribe heeft het Gerecht daarom in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de artikelen 1, eerste lid, en 2, eerste lid, van het Landbesluit zich niet met artikel 9 van Pro de Verordening verdragen en om die reden onverbindend zijn.
3. Het hoger beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Martines
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2014
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,