ECLI:NL:OGHACMB:2014:82

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
30 januari 2015
Zaaknummer
HLAR 46799/13
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
  • R.W.L. Loeb
  • P. van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 Landsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in vergunning 24-uurszorg met voorschriften

Appellante, een pijnkliniek, verzocht in 2009 om een vergunning voor het bieden van 24-uurszorg. De minister verleende in 2010 onder voorschriften de vergunning, waaronder een protocollair samenwerkingsverband met SEHOS en thuiszorgorganisaties. Appellante maakte bezwaar tegen deze voorschriften en stelde beroep in, dat door het Gerecht niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan belang.

Het Hof overweegt dat appellante wel degelijk belang heeft bij het beroep omdat zij tijdelijk ontheffing heeft gekregen van het samenwerkingsvoorschrift, maar de vergunning met voorschriften ongewijzigd bleef. Daarom vernietigt het Hof de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst de zaak terug naar het Gerecht om de behandeling te hervatten.

Het Hof veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De zaak wordt met inachtneming van de overwegingen opnieuw behandeld, waarbij het Gerecht de inhoudelijke beoordeling van het beroep moet voortzetten.

Uitkomst: Het Hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en wijst de zaak terug naar het Gerecht voor verdere behandeling.

Uitspraak

HLAR 46799/13
Datum uitspraak: 23 mei 2014
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
de naamloze vennootschap […] Pijnkliniek N.V., gevestigd in Curaçao,
appellante,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 24 juli 2013 in zaak nr. Lar 2011/46799 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur.

Procesverloop

Bij brief van 25 april 2009 heeft appellante het bestuurscollege van het eilandgebied Curaçao verzocht haar vergunning te verlenen voor het bieden van 24-uurszorg.
Bij brief van 21 december 2010 heeft de minister appellante medegedeeld dat haar onder het stellen van voorschriften vergunning zal worden verleend voor het bieden van 24-uurszorg op het gebied van pijnbehandeling.
Tegen deze brief heeft appellante bij brief van 20 januari 2011 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 1 februari 2011 heeft appellante tegen de brief van 21 december 2010 beroep ingesteld.
Bij beschikking van 2 februari 2011 heeft de minister het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en aan haar de bij beschikking van 8 december 2010 voor het bieden van 24-uurszorg op het gebied van pijnbehandeling aan haar verleende vergunning, waaraan de voorschriften zijn verbonden dat zij aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet en een protocollair samenwerkingsverband met het SEHOS en de thuiszorgorganisaties aangaat, welk protocol de basis vormt voor de invulling van de door haar in de business case betreffende de nieuwbouw van het SEHOS geleverde zorg, uitgereikt.
Bij uitspraak van 24 juli 2013 heeft het Gerecht het bij brief van 1 februari 2011 door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak behandeld ter zitting op 8 april 2014, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.C. Small, advocaat, en […], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.G. Woudstra, mr. N.E. Soon, beiden advocaat, […] en […] zijn verschenen
.

Overwegingen

1. Ambtshalve overweegt het Hof als volgt.
1.1.
Bij beschikking van 5 oktober 2011 heeft de minister appellante tijdelijk ontheven van de verplichting om aan het aan de vergunning van 8 december 2010 verbonden voorschrift dat zij een protocollair samenwerkingsverband met het SEHOS en de thuiszorgorganisaties aangaat, welk protocol de basis vormt voor de invulling van de door haar in de business case betreffende de nieuwbouw van het SEHOS geleverde zorg, te voldoen.
1.2.
Appellante heeft tegen de beschikking, waarbij haar vergunning is verleend, beroep ingesteld, omdat daaraan volgens haar ten onrechte het voorschrift is verbonden dat zij een protocollair samenwerkingsverband met het SEHOS en de thuiszorgorganisaties aangaat, welk protocol de basis vormt voor de invulling van de door haar in de business case betreffende de nieuwbouw van het SEHOS geleverde zorg.
Aangezien de bij beschikking van 5 oktober 2011 van dat voorschrift verleende ontheffing tijdelijk van aard is en die, waarbij aan appellante onder het stellen van voorschriften vergunning is verleend, daarbij niet is ingetrokken of gewijzigd, heeft appellante belang bij het door haar tegen die laatste beschikking ingestelde beroep. Gelet hierop, heeft het Gerecht het door appellante bij hem ingestelde beroep ten onrechte niet‑ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang daarbij.
2. Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt, wanneer het Gerecht de
niet-ontvankelijkheid heeft uitgesproken en het Hof deze uitspraak vernietigt met een ontvankelijkverklaring, het beroepschrift naar het Gerecht terugverwezen om te worden hervat in de stand, waarin de behandeling zich bevond.
3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep naar het Gerecht terugwijzen, opdat het de behandeling van de zaak hervat in de stand, waarin deze zich bevond. Het dient de zaak te behandelen en te beslissen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen. Voorts dient aan appellante het griffierecht te worden vergoed.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
I.
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
II.
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 24 juli 2013 in zaak nr. Lar 2011/46799;
III.
wijstde zaak naar het Gerecht
terug;
IV.
veroordeeltde minister van Gezondheid, Milieu en Natuur tot vergoeding aan de naamloze vennootschap […] Pijnkliniek N.V. van de bij deze in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 1400,00 (zegge: duizend vierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand;
V.
gelastdat het Land Curaçao aan naamloze vennootschap […] Pijnkliniek N.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 300,00 (zegge: driehonderd gulden)
teruggeeft.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Martines
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,