ECLI:NL:OGHACMB:2014:88

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
23 mei 2014
Publicatiedatum
3 februari 2015
Zaaknummer
HLAR 62784/14
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
  • R.W.L. Loeb
  • P. van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 LbzArt. 5.2 LbzArt. 8.1 Lbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen verstrekking verzekeringskaart basisverzekering ziektekosten

Appellant stelde dat het land Curaçao niet bestaat en dat de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (Lbz) nietig is, waardoor het Gerecht in eerste aanleg niet bevoegd zou zijn om zijn beroep te behandelen. Tevens betoogde appellant dat de verstrekking van de verzekeringskaart een beschikking is waartegen beroep mogelijk is.

Het hof oordeelde dat appellant geen belang heeft bij het betoog over het niet-bestaan van Curaçao en de nietigheid van de Lbz, omdat dit niet leidt tot een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Verder stelde het hof vast dat de verstrekking van de verzekeringskaart een feitelijke handeling is die niet gericht is op het creëren van rechtsgevolgen en daarom geen voor beroep vatbare beschikking vormt.

Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, waarin het beroep van appellant niet-ontvankelijk werd verklaard, is bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.

Uitspraak

HLAR 62784/14
Datum uitspraak: 23 mei 2014
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 11 december 2013 in zaak nr. Lar 62784/2013 in het geding tussen:
appellant
en
de Sociale Verzekeringsbank.

Procesverloop

De Sociale Verzekeringsbank heeft aan appellant (hierna: [appellant]) een bewijs van registratie, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (hierna: Lbz), kenmerk nr. 2013141367, verstrekt.
Bij uitspraak van 11 december 2013 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet‑ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Sociale Verzekeringsbank heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2014, waar [appellant] en de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door mr. M. Bonafasia en J. de Windt, beiden werkzaam in haar dienst, zijn verschenen.
Overwegingen
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Lbz is ingevolge deze landsverordening verzekerd degene die:
a. ingezetene is; of
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Curaçao krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bij een hier te lande gevestigd bedrijf of instelling verrichte arbeid alhier aan loonbelasting onderworpen is.
Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, verstrekt de Uitvoeringsorganisatie aan de verzekerde een bewijs van registratie.
Ingevolge artikel 8.1, voor zover thans van belang, staat voor belanghebbenden tegen de op grond van deze landsverordening genomen beslissingen van de Uitvoeringsorganisatie binnen zes weken na de dag, waarop deze zijn genomen, beroep bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao open.
[Appellant] betoogt dat het Gerecht heeft miskend dat het niet van het door hem ingestelde beroep kennis kon nemen, omdat het land Curaçao niet bestaat en de Lbz nietig is. Om diezelfde reden is het Hof niet bevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, aldus [appellant].
2.1. [
[Appellant] heeft bij dat betoog geen belang, nu hij daarmee niet kan bereiken dat het Gerecht zijn beroep inhoudelijk beoordeelt. Reeds hierom faalt het.
3. [Appellant] betoogt verder dat het Gerecht heeft miskend dat het hem verstrekken van de verzekeringskaart een beschikking behelst, nu met de verstrekking van deze kaart die van het Fonds Ziektekosten Overheidsgepensioneerden van onwaarde is geworden en zijn rechten en aanspraken ingevolge de Landsverordening Fonds Ziektekosten Overheidsgepensioneerden zijn vervallen. De door hem te betalen premies voor de ziektekostenverzekering zijn hierdoor voorts drastisch gestegen, aldus [appellant].
3.1.
Ook dat betoog faalt. De kring van verzekerden en aanspraak op verstrekkingen vloeien rechtstreeks uit de Lbz voort. De verzekeringskaart is slechts een bewijs van registratie. Verstrekking ervan is een feitelijke handeling, die niet op het in het leven roepen van enig rechtsgevolg gericht is. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat het afgeven van die kaart geen voor beroep vatbare beschikking is.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6.
Beslissing
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. P. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Martines, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Martines
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2014
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
voor deze,