Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De procesgang in herziening
3.De bewezenverklaring en de bewijsmiddelen
4.De aangedragen nova
5.Het standpunt van het openbaar ministerie
6.Beoordeling
linkerhandpalmafdruk terwijl later, als resultaat van uitgevoerd dactyloscopisch onderzoek, geconcludeerd wordt (bewijsmiddel 12 van het Hofvonnis) dat spoor 6 identiek is aan de
rechterpinkmuis en
rechterduimmuis van S.. Deze geconstateerde discrepantie is echter geen aanleiding voor het ernstig vermoeden dat tot een andere bewijsbeoordeling zou zijn gekomen waar het betreft de resultaten van het dactyloscopisch onderzoek. Daartoe overweegt het Hof het volgende. Het dactyloscopisch onderzoek is destijds uitgevoerd door de specialist van het Korps Politie Nederlandse Antillen. In het desbetreffende rapport (bewijsmiddel 12) is niet vermeld dat het aangeleverde spoor 6 een
linkerhandpalmafdruk betrof. Vermeld is dat spoor 6 identiek is aan de rechterpinkmuis en rechterduimmuis van S.. In het dossier bevindt zich voorts een rapport van A.C.W. Koppens, afdeling Dactyloscopie van het Korps Landelijke Politiediensten, aan wie destijds gevraagd is een contra-expertise uit te voeren. Blijkens zijn rapport heeft hij beschikt over bedoeld spoor 6, dat bestond uit een folie, zijnde de drager van het op de Mazda 626 afgenomen spoor. Dat spoor bleek ook bij contra-expertise identiek aan de rechterhandpalmafdruk van S..