Uitspraak
,
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Appellant kwam in hoger beroep tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin onder meer werd geoordeeld dat geen ingebrekestelling had plaatsgevonden en dat appellant onvoldoende had gereageerd op de betwisting van een geldlening.
Het Hof ging veronderstellenderwijs uit van het bestaan van een aannemingsovereenkomst, maar verwierp het verweer dat geen ingebrekestelling nodig was op grond van artikel 6:83 BW Pro. De mondeling afgesproken termijn was onvoldoende bepaald en de mededeling van geïntimeerde dat het werk deugdelijk was, maakte een ingebrekestelling niet nutteloos.
Het Hof oordeelde dat appellant bewijs mocht leveren van de gestelde geldlening van NAf 20.950 en bepaalde een datum voor het horen van getuigen. Iedere verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: Appellant moet bewijs leveren van de geldlening en verdere beslissing wordt aangehouden.