ECLI:NL:OGHACMB:2016:108

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 oktober 2016
Publicatiedatum
16 november 2016
Zaaknummer
G 31/13 - ghis 78898 - H 151/16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 2 LtbzArt. 20 lid 7 LtbzArt. 120 Procesreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake betaling achterstallige huur en gebreken geërfde verhuurde grond te Sint Maarten

In deze zaak is appellante in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank eerste aanleg te Sint Maarten dat haar vordering tot betaling van achterstallige huur had afgewezen. De grond betreft een stuk geërfde verhuurde grond waarop geïntimeerde een woning bewoont en waarvoor zij sinds juli 2010 geen huur meer betaalde.

Appellante vordert betaling van achterstallige huur over de periode juli 2010 tot november 2013. Geïntimeerde voert verweer dat de making van de nalatenschap ongeldig zou zijn en dat zij opschorting van betaling toepast wegens gebreken aan het gehuurde. Het hof verwijst naar een eerder arrest waarin de geldigheid van de erfenis aan appellante is bevestigd en passeert het verweer van ongeldigmaking.

Gezien het beroep op gebreken en de noodzaak tot nadere feitelijke vaststelling gelast het hof een comparitie van partijen, waarbij ook een minnelijke regeling zal worden beproefd. Deze comparitie zal gelijktijdig plaatsvinden met vergelijkbare zaken van andere bewoners van Richards Drive. Het hof wijst het griffierecht na en houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: Het hof gelast een comparitie van partijen en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2016 Vonnis no.:
Registratienummer: G 31/13 - ghis 78898 - H 151/16
Uitspraak: 7 oktober 2016
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
[APPELLANTE],
wonende in Sint Maarten,
oorspronkelijk eiseres,
thans appellante,
gemachtigde: E.I. Maduro,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Sint Maarten,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. C.H.J. Merx.
De partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van appel van 6 oktober 2014 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 26 augustus 2014 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).
1.2
Bij op 17 november 2014 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellante] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. De akte van appel en memorie van grieven zijn op 1 februari 2016 aan [geïntimeerde] betekend.
1.3
Een memorie van antwoord is niet ontvangen.
1.4
Op 26 augustus 2016 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. De pleitnotities van de gemachtigde van [appellante] verwijzen naar vooraf toegezonden producties. De pleitnotities van de gemachtigde van [geïntimeerde] houden slechts de mededeling in dat er geen behoefte aan pleidooi bestaat. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1
Tussen partijen staat het volgende vast.
2.1.1 [
Geïntimeerde] heeft een stuk grond aan de Richards Drive te Middle Region, Sint Maarten, gehuurd van wijlen [de wijlen naam] (hierna: [de wijlen naam]). Kennelijk bewoont zij een huis dat op die grond staat. De huur bedraagt US$ 100,- per maand.
2.1.2
Op 7 mei 2004 is [wijlen naam] overleden. Bij uiterste wilsbeschikking heeft zij [appellante] als enig erfgenaam benoemd. Het recht van vruchtgebruik op haar nalatenschap heeft zij vermaakt aan haar enige zoon [zoon] (hierna: [zoon]).
2.1.3
Op 18 februari 2010 is [zoon] overleden.
2.1.4
In juli 2010 heeft [geïntimeerde] de huurbetalingen gestaakt.
2.1.5
Bij vonnis van 9 april 2013, AR 224/11, gewezen tussen [appellante] en derden, heeft het GEA overwogen dat de making van [de wijlen naam] aan [appellante] ongeldig is en de vorderingen van [appellante] afgewezen. Bij vonnis van 29 januari 2016, ghis 63518 - H 354/13, heeft het Hof voornoemd vonnis van het GEA vernietigd en alsnog voor recht verklaard dat [appellante] de enige erfgenaam is van [wijlen naam].
2.2
In dit geding heeft [appellante] betaling gevorderd van US$ 4.000,00 als achterstallige huur over de periode juli 2010-november 2013, te vermeerderen met wettelijke rente. Het GEA heeft de vordering afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.
2.3
Ingevolge art. 20, lid 2, aanhef en onder d, jo. lid 7 Ltbz jo. art. 120 Procesreglement Pro bedraagt het in hoger beroep te heffen griffierecht
NAf 900,00. Er is NAf 200,00 geheven en betaald. Thans wordt een bedrag van NAf 700,00 nageheven. Dit bedrag moet binnen zes weken na de datum van uitspraak van dit vonnis worden betaald, in beginsel op straffe van verval van het hoger beroep.
2.4
In het licht van hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist in zijn hiervoor in rov. 2.1.5 genoemde vonnis van 29 januari 2016, heeft [geïntimeerde] haar verweer dat de making van [de wijlen naam] aan [appellante] ongeldig is, onvoldoende onderbouwd. Daarvoor bestond gelegenheid bij pleidooi in hoger beroep.
Het Hof passeert dat verweer daarom. Dat betekent dat de grieven terecht zijn voorgesteld.
2.5 [
Geïntimeerde] heeft voorts een beroep op opschorting van de betalingsverplichting gedaan wegens gebreken aan het gehuurde. Daartoe heeft zij een aantal brieven van haar en van andere bewoners van woningen aan de
Richards Drive overgelegd.
De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat dit verweer dient te worden beoordeeld. Mede in verband daarmee zal het Hof een comparitie van partijen gelasten. Deze zal ook worden gebruikt om een minnelijke regeling van het geschil te beproeven. In verband daarmee wordt beide gemachtigden verzocht zo veel mogelijk te bevorderen dat hun cliënt bij de comparitie van partijen aanwezig zal zijn.
2.6
De te gelasten comparitie zal gelijktijdig worden gehouden met een comparitie in vijf verwante zaken, elk tussen [appellante] enerzijds en een bewoner van een woning aan de Richards Drive anderzijds (nummers H 152/16 tot en met H 156/16). Blijkens de dossiers hebben deze bewoners in het verleden gezamenlijke brieven aan [appellante] gericht.
2.7
De comparitie van partijen zal uitsluitend doorgang vinden ten behoeve van de appellanten door of namens wie tijdig het thans nageheven griffierecht zal zijn betaald (zie rov. 2.3 hiervoor). De gemachtigde Maduro dient op de comparitie van partijen bewijs van tijdige betaling over te leggen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
gelast partijen, in persoon en vergezeld van hun gemachtigde, te verschijnen voor het Hof, tot het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een regeling, op een nader te bepalen dag en uur in het Court House te Philipsburg, Sint Maarten (de zaken H 151/16 tot en met H 156/16 dienen te worden ingepland om gelijktijdig te worden behandeld; geschatte behandeltijd: één uur);
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, D. Radder en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 7 oktober 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.