Uitspraak
Ingevolge de aanhef en onder b wordt onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
Ingevolge de aanhef en onder c wordt onder bestuurlijke aangelegenheid verstaan: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan.
Ingevolge de aanhef en onder d wordt onder niet-ambtelijke adviescommissie verstaan: een van overheidswege ingestelde commissie, met als taak het adviseren van een of meer bestuursorganen en waarvan geen ambtenaren lid zijn, die het bestuursorgaan, waaronder zij ressorteren, adviseren over de onderwerpen die aan de commissie zijn voorgelegd. Ambtenaren, die secretaris of adviserend lid zijn van een adviescommissie, worden voor de toepassing van deze bepalingen niet als leden daarvan beschouwd, aldus die bepaling.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder verzoeken om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of tot de onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame departementen, diensten, bureaus en instellingen.
Ingevolge artikel 4 wordt Pro de verzoeker, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat, waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, wordt een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een schriftelijk verzoek schriftelijk en gemotiveerd aan de verzoeker medegedeeld.
Ingevolge artikel 6 beslist Pro het bestuursorgaan op het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie weken na de dag, waarop het verzoek is ontvangen. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste drie weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker, aldus die bepaling.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, draagt het bestuursorgaan zorg voor het openbaar maken, zo mogelijk met toelichting, van door niet-ambtelijke adviescommissies aan het orgaan uitgebrachte adviezen met het oog op het te vormen beleid, tezamen met de door het orgaan aan de commissies voorgelegde adviesaanvragen en voorstellen.
Ingevolge het tweede lid worden de in het eerste lid bedoelde stukken openbaar gemaakt door deze:
a. op te nemen in een algemeen verkrijgbare uitgave,
b. afzonderlijk uit te geven en algemeen verkrijgbaar te stellen, of
c. ter inzage te leggen, in kopie te verstrekken of uit te lenen.
Ingevolge het derde lid heeft openbaarmaking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, nadat de adviezen zijn ontvangen, plaats. Hiervan en van de plaats van tervisielegging wordt mededeling gedaan in de Curaçaose Courant of in een plaatselijk algemeen verkrijgbaar dag- of weekblad, aldus die bepaling.
Ingevolge artikel 12, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over tot personen herleidbare beleidsopvattingen. Onder intern beraad wordt verstaan: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor die bestuurlijke aangelegenheid. Onder tot personen herleidbare beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten, aldus die bepaling.
Ingevolge het tweede lid is het in het eerste lid bepaalde van overeenkomstige toepassing op adviezen van een ambtelijk of gemengd samengestelde adviescommissie. Onder ambtelijke of gemengd samengestelde adviescommissie wordt verstaan: een commissie met als taak het adviseren van een of meer bestuursorganen, die geheel of gedeeltelijk is samengesteld uit ambtenaren, tot wier functie behoort het adviseren van het bestuursorgaan, waaronder zij ressorteren over de onderwerpen die aan die commissie zijn voorgelegd, aldus die bepaling.
1) Besluit van het bestuurscollege van 22 september 2010, no. 2010/13000, tot instelling van de Projectcommissie Oostpunt;
2) Advies van de Projectcommissie Oostpunt van 30 mei 2011;
3) Beslissing van de raad van ministers van 1 juni 2011;
4) Wetsontwerp, per mail van 3 november 2011 door advocatenkantoor Soliana, Bonapart & Aardenburg aan de afdeling Wetgeving en Juridische Zaken (hierna: WJZ) aangeboden;
5) Advies van WJZ aan de minister van 9 februari 2012;
6) Advies namens de minister van Financiën ten aanzien van de financiële paragraaf van de Ontwerp Landsverordening herziening bestemmingsvoorschriften Oostpunt van 11 mei 2012;
7) Brief van de interne juridisch adviseur van de minister van 23 februari 2012;
8) Advies van de stichting NAAM van 31 oktober 2012 betreffende cultuurhistorische waarden;
9) Besluit van de raad van ministers van 15 augustus 2012 inzake de vaststelling van het concept van de ontwerp-landsverordening tot herziening van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao met bijbehorende memorie van toelichting en te volgen procedure;
10) Door diverse (rechts)personen ingediende zienswijzen;
11) Verslagen van hoorzittingen met diverse belanghebbenden gehouden;
12) Definitief advies van de Commissie Oostpunt aan de minister van 3 december 2013;
13) Presentatie van de Commissie Zienswijzen Oostpunt aan de minister van 6 februari 2014;
14) Presentatie van de Projectcommissie Oostpunt aan de minister van 6 februari 2014;
15) Definitief advies van de Projectcommissie Zienswijzen Oostpunt aan de minister van 6 februari 2014;
16) Advies van de minister van Financiën aan de minister van 11 mei 2012;
17) Voorstel van de minister ten aanzien van een te nemen beslissing door de raad van ministers van 29 augustus 2014;
18) Beslisdocument (ongedateerd) dat is meegestuurd in de omslag met het voorstel van de minister en aan de raad van ministers is aangeboden (aldaar ingekomen 4 september 2014);
19) Ontwerp Landsverordening tot wijziging van bestemmingsvoorschriften Oostpunt.
Voor zover de minister aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat het verzoek ten onrechte aan hem is gericht, geldt hetzelfde, omdat een document in de zin van de Lob ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van die landsverordening een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal is dat gegevens bevat. Aldus is doorslaggevend of het desbetreffende stuk feitelijk onder de minister berust, hetgeen, zoals door de minister niet is betwist, ten aanzien van de geweigerde stukken het geval is, nog daargelaten dat de minister, indien het verzoek een verzoek om openbaarmaking van een onder een ander bestuursorgaan berustend stuk betreft, ingevolge artikel 4 van Pro de Lob gehouden zou zijn de verzoeker naar dat bestuursorgaan te verwijzen.
Gelet op het vorenoverwogene, is de minister gehouden document 11, dat een bestuurlijke aangelegenheid betreft en welk document de minister feitelijk onder zich heeft, openbaar te maken, nu hij aan de weigering daartoe slechts ten grondslag heeft gelegd dat het geen door de overheid opgestelde documenten betreft en het geen bestuurlijke aangelegenheid betreft die hem rechtstreeks aangaat.
Ten aanzien van de stukken 12 en 15, oordeelt het Hof dat daarin weliswaar enige tot personen herleidbare beleidsopvattingen voorkomen, maar dat niet aan gehele openbaarmaking van die stukken in de weg dient te staan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat daarin, naast beleidsaanbevelingen, ook procedurele aspecten en beoordelingen van de door derden ingediende zienswijzen zijn vervat. Voorts acht het Hof van belang dat de minister bij openbaarmaking van deze stukken de namen van de desbetreffende commissieleden desgewenst telkens weg kan lakken, evenals hij dat kan doen bij passages, waarin beleidsaanbevelingen worden gedaan, die volgens hem tot personen herleidbare beleidsopvattingen bevatten.
Ook ten aanzien van stuk 18, oordeelt het Hof dat daarin weliswaar enige tot personen herleidbare beleidsopvattingen voorkomen, maar dat niet aan gehele openbaarmaking van dat stuk in de weg dient te staan. Daarbij wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat dat stuk een gemengd karakter heeft, te weten dat daarin naast beleidsmatige aspecten ook procedurele aspecten aan de orde komen. Voorts kan de minister bij openbaarmaking van dit stuk vermelding van de desbetreffende functionaris desgewenst telkens weg lakken, evenals hij dat kan doen bij passages die volgens hem uitsluitend tot personen herleidbare beleidsopvattingen bevatten.
bevestigtde aangevallen uitspraak;
verklaarthet beroep tegen de beschikking van de minister van 9 december 2015
gegrond, voor zover het de documenten 1, 2, 3, 4, 6 (kennelijk gelijk aan 16), 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 betreft;
vernietigtdie beschikking, voor zover daarbij is geweigerd die documenten openbaar te maken;
bepaaltdat de minister de onder II vermelde documenten binnen twee weken na verzending van deze uitspraak openbaar maakt op straffe van een dwangsom van NAf 2.000,- per dag of gedeelte van iedere dag dat dit niet gebeurt, met een maximum van NAf 60.000,-;
veroordeeltde minister tot vergoeding aan Carmabi van de bij deze in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf. 1.400,- (zegge: eenduizendvierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
de griffier,
voor deze,