Appellant en de enige bestuurder van Mamuris Restaurant N.V. hadden een liefdesrelatie die in maart 2014 eindigde. Appellant stelde dat hij vanaf september 2014 een arbeidsovereenkomst met Mamuris was aangegaan, welke door Mamuris werd betwist. Het Gerecht in eerste aanleg had geoordeeld dat geen arbeidsovereenkomst bestond.
Het Hof oordeelt dat de arbeidsovereenkomst wel bestond, mede gelet op loonstroken, loonbelastingafdracht en communicatie met de bank. Het Hof acht de gezagsverhouding aanwezig ondanks de eerdere relatie. Het ontslag op staande voet wegens werkweigering is nietig omdat het opgelegde werktijdstip als pesterij werd beoordeeld.
Vanwege ernstige verstoorde verhoudingen tussen appellant en de bestuurder, en de onacceptabele situatie bij terugkeer, matigt het Hof de loonvordering tot een jaar. Mamuris wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon tot 25 mei 2016 met wettelijke rente, en de kosten van de procedure worden gecompenseerd.