Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De beoordeling
zeker niet alleen’zag op de aandelenoverdracht.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak staat centraal de uitvoering van een overeenkomst uit 2003 tussen partijen die samen bouwprojecten op Aruba hadden opgezet. De appellant, oorspronkelijk gedaagde, betwistte de nakoming van de overeenkomst en stelde dat afstand was gedaan van rechten en dat sprake was van een wilsgebrek. Het hof heeft de feiten uit eerste aanleg overgenomen en beoordeelde de grieven van appellant.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat afstand was gedaan van de overeenkomst en dat de verklaringen van appellant en zijn echtgenote niet overtuigend waren. Ook werd vastgesteld dat de overeenkomst mede zag op overdracht van aandelen in de vennootschap, hetgeen door partijen werd beoogd. Betalingen door appellant na het sluiten van de overeenkomst werden onvoldoende concreet onderbouwd om in mindering te brengen op de vordering.
Verder verwierp het hof het beroep op wilsgebrek, omdat partijen redelijkerwijs dezelfde verwachtingen hadden over de inhoud van de overeenkomst. De grief dat de overeenkomst nietig zou zijn wegens onduidelijkheid over berekening van het bedrag faalde eveneens. De vordering werd derhalve bevestigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van geïntimeerde.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en wijst de grieven van appellant af, met veroordeling in proceskosten.