ECLI:NL:OGHACMB:2017:122

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 oktober 2017
Publicatiedatum
6 november 2017
Zaaknummer
KG 1332/16 - ghis 80794 - H 385/16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffing griffierecht bij gronduitgifte in erfpacht voor resortbouw

In deze zaak is RBM Estates in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba dat verband houdt met een geschil over gronduitgifte in erfpacht voor de bouw en exploitatie van een resort. Het geschil ontstond na een kort geding waarin het Land Aruba werd verboden bepaalde percelen uit te geven voor activiteiten die in strijd zijn met het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan.

RBM stelde derdenverzet in tegen dit vonnis en vorderde dat het Land Aruba een perceel in erfpacht aan haar zou uitgeven. De griffier stelde dat RBM een direct geldelijk belang had dat een naheffing van griffierecht rechtvaardigde, waarbij een bedrag van Afl. 14.100,00 moest worden nageheven bovenop de reeds betaalde Afl. 900,00.

Het Hof besloot RBM de gelegenheid te geven het naheffingsbedrag binnen zes weken te voldoen en verwees de zaak naar de rol voor een akte uitlating griffierecht. Omdat de griffierechtelijke naheffing niet ter bescherming van de belangen van de geïntimeerden dient, werd aan deze partijen geen antwoordakte toegestaan. Het Hof hield verdere beslissing aan.

De uitspraak werd gedaan door de leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 17 oktober 2017.

Uitkomst: De zaak is aangehouden en verwezen naar de rol voor akte uitlating griffierecht van RBM na betaling van het naheffingsbedrag.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:
Registratienummer: KG 1332/16 - ghis 80794 - H 385/16
Uitspraak: 17 oktober 2017
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
RBM ESTATES N.V.,
gevestigd in Aruba,
oorspronkelijk opposante in derdenverzet,
thans appellante,
gemachtigden: mrs. G.B. Wever en J.M. de Cuba,
tegen
1. de stichting
STICHTING ARUBA BIRDLIFE CONSERVATION,
gevestigd in Aruba,
oorspronkelijk eiseres,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. G.W. Rep,
1. de publiekrechtelijke rechtspersoon
HET LAND ARUBA,
zetelend in Aruba,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. B.J. Huiskes en T. Peeters.
De partijen worden hierna RBM, ABC en het Land genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van appel van 25 juli 2016 is RBM in hoger beroep gekomen van het in kort geding en in derdenverzet tussen partijen gewezen en op 6 juli 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).
1.2
Bij op 15 augustus 2016 per fax ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft RBM vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van ABC en het Land in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Bij memorie van antwoord, met producties, heeft ABC de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, kosten rechtens.
1.4
Bij memorie van antwoord, met producties, heeft het Land gemotiveerd geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van RBM alsnog zal toewijzen, met uitzondering van de veroordeling van het Land in de proceskosten.
1.5
Op 23 mei 2017 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Alle partijen hebben vooraf een of meer producties toegezonden. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1
Bij tussen ABC als eiseres en het Land als gedaagde in kort geding gewezen vonnis van 7 juni 2016 (KG 1224/16) heeft het GEA, samengevat weergegeven, het Land verboden om drie percelen grond in erfpacht of anderszins in gebruik uit te geven met het doel daarop activiteiten toe te laten die in strijd zijn met het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan (Landsbesluit van
7 mei 2009, no. 7), en het Land bevolen om handhavend op te treden tegen elke activiteit op die percelen die een verdere aantasting vormt van de bestemming "groengebied", een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.
2.2
RBM heeft derdenverzet tegen het vonnis van 7 juni 2016 ingesteld. Haar in eerste aanleg gewijzigde vordering strekt er primair toe, samengevat weergegeven, dat het GEA het Land beveelt een van de percelen in erfpacht uit te geven aan RBM. RBM wenst op het perceel een resort te laten bouwen en te exploiteren.
2.3
De griffier stelt zich op het standpunt dat RBM een direct geldelijk belang heeft dat kan worden gewaardeerd op een zo hoog bedrag dat het vast recht moet worden getaxeerd op het maximum van Afl. 15.000,00. Er is reeds
Afl. 900,00 geheven en betaald. Er dient dus Afl. 14.100,00 te worden nageheven.
2.4
RBM zal in de gelegenheid worden gesteld binnen zes weken na heden, dus uiterlijk op 28 november 2017, het nageheven bedrag te betalen. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van RBM. Aan de akte dient bewijs van betaling van het nageheven bedrag te worden gehecht.
2.5
De heffing van griffierecht strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van geïntimeerden. Daarom zal aan ABC en aan het Land geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van 28 november 2017 voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van RBM;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en S.A. Carmelia, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 17 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.