Uitspraak
Appellant], wonend op Bonaire,
Het Gerecht heeft tevens overwogen dat het betoog van appellant dat hij de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning tijdig heeft gedaan, althans dat de ontijdige ontvangst van die aanvraag hem op de voet van artikel 5.36, eerste lid, van het Btu BES niet kan worden toegerekend, aan de onderbreking van het rechtmatig verblijf niet kan afdoen, omdat tegen het besluit waarbij de verblijfsvergunning is gewijzigd geen rechtsmiddelen zijn ingesteld en van de rechtmatigheid van de ingangsdatum van de gewijzigde verblijfsvergunning moet worden uitgegaan.
Overigens heeft de minister onweersproken naar voren gebracht dat aan appellant op 22 juli 2014 een vestigingsvergunning is verleend en hij pas op die datum aan de voorwaarden voldeed voor verlening van de verblijfsvergunning met als doel het verrichten van arbeid als zelfstandige. Op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet toelating en uitzetting BES (hierna: Wtu BES) kan de ingangsdatum daarvan niet eerder dan op die datum worden gesteld, aldus het Gerecht.
In dit verband voert appellant aan dat de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning op 20 mei 2014 is verstreken, hij op 29 april 2014 een afspraak heeft gemaakt bij de IND om de geldigheidsduur te verlengen en deze afspraak door de IND is afgezegd. In 2014 hanteerde de IND de gedragslijn dat geen onderbreking in het rechtmatig verblijf ontstond als een afspraak met betrekking tot de verlenging was gepland voor afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Als met een afzegging van de afspraak door de IND was ingestemd, gold hetzelfde. Niet valt in te zien waarom deze gedragslijn niet in dit geval wordt toegepast, aldus appellant.
Voorts voert hij aan dat hij op 15 april 2014 een vestigingsvergunning heeft aangevraagd, maar deze eerst op 22 juli 2014 is verleend en deze vertraging hem op de voet van artikel 7, zesde lid, van de Wtu BES niet is toe te rekenen.
De klacht faalt.
Ook deze klacht faalt.
Beslissing
Wet toelating en uitzetting BES
Besluit toelating en uitzetting BES
Wet Vestiging Bedrijven BES
2. De in het eerste lid genoemde termijn vangt aan op het moment dat een aanvraag op een door het bestuurscollege vast te stellen wijze is ingediend en kan door het bestuurscollege schriftelijk worden verlengd met ten hoogste acht weken, indien het bestuurscollege voornemens is een aanvraag af te wijzen op grond van artikel 5, tweede lid.