Uitspraak
[APPELLANT 1],
[APPELLANTE 2],
[APPELLANT 3],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin werd geoordeeld dat appellanten geen aandeelhouder zijn van Rectour en dat zij onrechtmatig handelen door toch als aandeelhouder op te treden.
Appellanten verzochten om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis, dat uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, omdat zij vrezen dat de executie van opgelegde dwangsommen onherstelbare schade kan veroorzaken indien het hoger beroep slaagt.
Het Hof heeft de belangen van beide partijen zorgvuldig afgewogen. Enerzijds bestaat het risico voor appellanten dat hun rechten als aandeelhouder verloren gaan bij naleving van het verbod, anderzijds loopt Nordic het risico dat bij schorsing van de tenuitvoerlegging de economische eigendom van de aandelen waardeloos wordt.
Gezien deze wederzijdse risico's en het feit dat het Gerecht in eerste aanleg de vordering toewijsbaar heeft geoordeeld, concludeert het Hof dat het belang van de veroordelde appellanten niet zwaarder weegt dan dat van Nordic. Daarom wijst het Hof de vordering tot schorsing af en houdt het de beslissing over de kosten aan tot de einduitspraak in hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen en de beslissing over de kosten aangehouden.