ECLI:NL:OGHACMB:2017:95

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
1 september 2017
Publicatiedatum
11 september 2017
Zaaknummer
AR 15/2014 - ghis 79530 - H 214/2016
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 2 LtbzArt. 20 lid 3 LtbzArt. 20 lid 7 LtbzArt. 127 lid 1 Procesreglement
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting bankrelaties en naheffing griffierecht in hoger beroep tegen RBC Royal Bank

Atlantis World Management N.V., Dawn Properties Ltd. en International Financial Planning Services Ltd. (gezamenlijk Atlantis c.s.) zijn in hoger beroep gekomen tegen RBC Royal Bank N.V. vanwege beëindiging van hun bankrelaties. Atlantis c.s. vordert dat RBC de bankrelaties voortzet totdat zij elders hun bankzaken kunnen onderbrengen, met een dwangsom voor elke onrechtmatige opheffing.

Het hof stelt vast dat Atlantis c.s. elk een eigen bankrelatie met RBC hebben en dat hun belangen zodanig zijn dat het griffierecht in hoger beroep op NAf 15.000 per partij moet worden vastgesteld. Omdat zij gezamenlijk reeds NAf 900 hebben betaald, wordt ieder een naheffing van NAf 14.700 opgelegd, te voldoen binnen zes weken.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 6 oktober 2017 voor bewijs van betaling van het griffierecht. RBC krijgt geen gelegenheid tot een antwoordakte, omdat de griffierecht naheffing geen verband houdt met haar belangen. Het hof houdt verdere beslissing aan.

Uitkomst: Het hof legt een naheffing griffierecht op aan Atlantis c.s. en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:
Registratienummer: AR 15/2014 - ghis 79530 - H 214/2016
Uitspraak: 1 september 2017
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. de naamloze vennootschap
ATLANTIS WORLD MANAGEMENT N.V.,
gevestigd in Sint Maarten,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
DAWN PROPERTIES LTD.,
gevestigd op Nevis, Federation of Saint Kitts and Nevis,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
INTERNATIONAL FINANCIAL PLANNING SERVICES LTD.,
gevestigd op Tortola, Britse Maagdeneilanden,
oorspronkelijk eisers,
thans appellanten,
geïntimeerde in het incidenteel appel,
gemachtigde: mr. W.J. Nelissen,
tegen
de naamloze vennootschap
RBC ROYAL BANK N.V.,
gevestigd in Curaçao,
oorspronkelijk gedaagde,
thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. R.F. Gibson jr. en C.M.P. van Hees.
De partijen worden hierna Atlantis, Dawn Properties, IFPS en RBC genoemd. Atlantis, Dawn Properties en IFPS worden gezamenlijk Atlantis c.s. genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij akte van appel van 26 juni 2015 zijn Atlantis c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 19 mei 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).
1.2
Bij op 6 augustus 2015 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben Atlantis c.s. drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun gewijzigde vordering zal toewijzen, met veroordeling van RBC in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
1.3
Bij op 23 november 2015 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft RBC de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Atlantis c.s. in de proceskosten in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.
1.4
Op 18 november 2016 hebben partijen pleitnotities overgelegd. RBC heeft op voorhand producties toegezonden. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1
Atlantis beheert in Sint Maarten vier casino's, Dawn Properties een winkelcentrum en IFPS een bedrijvencomplex. Atlantis c.s. hebben ieder voor zich bankrekeningen bij RBC. Hun vordering strekt er primair toe dat RBC wordt bevolen de bankrelaties met Atlantis c.s. te continueren totdat ieder van hen zijn bankzaken heeft weten onder te brengen bij een andere financiële instelling in Sint Maarten, met een dwangsom van USD 250.000,- voor iedere bankrekening die zij in strijd met dat bevel opheft. Zij hebben onder meer gesteld dat indien RBC dat weigert, Atlantis c.s. (vooralsnog) nergens anders met hun bankzaken terecht kunnen en gedwongen zullen zijn hun ondernemingen te staken. De inzet van de procedure is dus het voortbestaan van de ondernemingen van Atlantis c.s., zo stellen zij in hun pleitnota.
2.2
Gelet op het voorgaande stelt de griffier zich op het standpunt dat
Atlantis c.s. een direct geldelijk belang bij hun vordering in hoger beroep hebben dat op een zodanig bedrag kan worden gewaardeerd dat het griffierecht in hoger beroep ingevolge art. 20 lid Pro 2, aanhef en sub f, lid 3 en lid 7 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (Ltbz) op NAf 15.000,00 dient te worden getaxeerd. Dat geldt voor ieder van hen afzonderlijk. Weliswaar bepaalt art. 127 lid 1 van Pro het Procesreglement dat zich een uitzondering voordoet als door verschillende eisers hetzelfde gevorderd wordt op dezelfde grondslag (bijv. verdeling van een gemeenschap), maar in dit geval heeft iedere eiser een eigen relatie met RBC, zodat de uitzondering zich in deze zaak niet voordoet. Ingevolge art. 20 lid 1 Ltbz Pro dient ieder van hen dus dit bedrag te betalen. Er is reeds NAf 900,00 betaald door hen gezamenlijk. Het Hof zal dat aldus aan hen toerekenen dat ieder reeds NAf 300,00 heeft betaald. Bij elk wordt daarom NAf 14.700,00 nageheven. Dit dient uiterlijk zes weken na heden te worden betaald, dus uiterlijk op 13 oktober 2016.
2.3
De zaak zal naar de rol van 6 oktober 2016 worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van Atlantis c.s. Aan hen wordt verzocht bij de op die rol (of op de daaropvolgende rolzitting in Sint Maarten) te nemen akte bewijs over te leggen van tijdige betaling van de nageheven bedragen.
2.4
De heffing van griffierecht houdt geen verband met de bescherming van enig recht of belang van de geïntimeerde. Aan RBC zal daarom geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 6 oktober 2017 voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van Atlantis c.s.;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,
Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 1 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.