Uitspraak
Op 12 mei 2016 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel het verrichten van arbeid in loondienst. Deze aanvraag is bij beschikking van 13 juni 2016 op de voet van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ltu afgewezen, omdat de vreemdeling niet heeft kunnen aantonen dat hij over voldoende middelen van bestaan zal beschikken, nu de tewerkstellingsvergunning is geweigerd vanwege het feit dat de vreemdeling niet over de vereiste kwalificaties beschikt. In de beschikking van 13 juni 2016 heeft de minister zich voorts op het standpunt gesteld dat evenmin is gebleken dat op grond van klemmende redenen van humanitaire aard een verblijfsvergunning moet worden verleend. Tegen deze beschikking zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Het betoog faalt.
Beslissing