Uitspraak
Appellant], wonend in Curaçao,
Procesverloop
- appellant is feitelijk werkzaam gebleven bij de CDM en heeft zijn werkzaamheden steeds uitgevoerd onder het feitelijke gezag van de CDM;
- de constructie met het BAD is uitsluitend ingegeven door financiële overwegingen en heeft geen wijziging gebracht in de feitelijke situatie van de tot en met 30 september 1993 in dienst van de CDM werkzame werknemers, onder wie appellant;
- na de opheffing van het BAD zijn de uitzendkrachten die toen nog bij het BAD in dienst waren, niet ontslagen, maar (opnieuw) in dienst getreden bij de CDM;
- de hoogte van de bij de vaststellingsovereenkomst aan appellant toegekende vergoeding is berekend met inachtneming van het verschil in loon bij het BAD en de CDM;
- de CDM heeft de verschuldigde werkgeverspremies ingehouden en afgedragen aan de Inspecteur der Belastingen.
verklaarthet hoger beroep
gegrond;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 10 november 2016 in zaak nr. 2015/74235;
verklaarthet tegen de beschikking van de Sociale Verzekeringsbank van 6 mei 2015, nummer 6207480175, ingestelde beroep
gegrond;
vernietigtdie beschikking;
bepaaltdat de Sociale Verzekeringsbank opnieuw op het door E. Minguel tegen de beschikking van 28 juli 2014 gemaakte bezwaar moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeeltde Sociale Verzekeringsbank tot vergoeding van de bij [
appellant] voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van NAf. 2.800,00 (zegge: twee duizend achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat de Sociale Verzekeringsbank het door [
appellant] voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van NAf. 150,00 (zegge: honderdvijftig gulden) vergoedt.