Uitspraak
Beslissing
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De zaak betreft het hoger beroep van een voogd van een minderjarige die sinds haar geboorte in Curaçao woont en zich met haar voogd in 2016 op Bonaire heeft gevestigd. De staatssecretaris had een tijdelijke verklaring van rechtswege toelating tot verblijf (vvr) verstrekt, maar stelde dat de voogd niet voldeed aan het middelenvereiste. Het Gerecht in eerste aanleg wees het beroep van de voogd af en het Hof bevestigt deze uitspraak.
Het Hof oordeelt dat de Wet toelating en uitzetting BES (Wtu BES) van overeenkomstige toepassing is op de minderjarige, ondanks dat zij onder voogdij staat en niet de biologische ouder is. De uitzondering voor ouders als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, Wtu BES is niet van toepassing. Het middelenvereiste van minimaal USD 1.680 per maand geldt ook voor de voogd en minderjarige.
Verder stelt het Hof dat de door de voogd ingeroepen verdragsbepalingen, waaronder het EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind, niet verhinderen dat de Wtu BES wordt toegepast. De voogd moet een verblijfsvergunning aanvragen en in die procedure kan worden beoordeeld of de verdragsbepalingen worden geschonden. Het Hof wijst erop dat het onderscheid in de Wtu BES tussen BES-Nederlanders en andere Nederlanders gerechtvaardigd is ter bescherming van de BES-eilanden.
De voogd kan tegen een eventuele uitzetting bezwaar maken en de verdragsrechten inroepen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.