Uitspraak
[APPELLANT 2],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak stond de vraag centraal of de huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte in Curaçao was verlengd na afloop van de initiële termijn van zes maanden. De huurder, een stichting die de ruimte gebruikte als museum, stelde dat partijen een verlenging waren overeengekomen. De verhuurder betwistte dit en vorderde betaling van achterstallige huur en vergoeding voor gebruik na afloop van de huurperiode.
Het hof heeft de zaak beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij de bedoeling van partijen en de redelijkheid en billijkheid centraal staan. Het hof oordeelde dat de bewoordingen van het huurcontract duidelijk zijn en dat de stellingen van de huurder onvoldoende aanknopingspunten boden voor een afwijkende uitleg. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid faalde, omdat de verhuurder een zwaarwegend financieel belang had.
Verder werd geoordeeld dat de verhuurder niet onrechtmatig handelde door ontruiming te vorderen, aangezien de huurovereenkomst niet was verlengd. De huurder werd veroordeeld tot betaling van de huur over mei en een vergoeding voor gebruik in juni, conform het huurcontract en de wettelijke bepalingen. De reconventionele vorderingen van de huurder werden afgewezen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de huurder in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis dat de huurovereenkomst niet is verlengd en veroordeelt de huurder tot betaling van huur en vergoeding met veroordeling in kosten.