Uitspraak
Registratienummers: AUA201702992 – AUA2019H00023
geïntimeerde in de hoofdzaak,
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling
Afl. 1.000,-.
Afl. 1.000,-.
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze civiele procedure tussen DCV Aruba Vending N.V. en [geïntimeerde] staat een incident op grond van artikel 141 Rv Pro centraal, waarin DCV Aruba inzage vordert in bankafschriften van DCV Bonaire over de periode 2014-2016. Dit verzoek is gericht op het verkrijgen van inzicht in het beheer van gelden die DCV Aruba aan DCV Bonaire heeft overgemaakt.
De hoofdzaak betreft een geschil over de uitvoering van een overeenkomst uit oktober 2015 tussen zakenpartners Michael [naam 1] en [geïntimeerde], waarbij de exploitatie van verkoopautomaten werd gesplitst. DCV Aruba vordert in reconventie dat [geïntimeerde] verantwoording aflegt over de besteding van gelden die zij heeft overgemaakt aan DCV Bonaire, waarvan [geïntimeerde] bestuurder is. Het Gerecht wees deze vordering af wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing van een overeenkomst van opdracht.
In hoger beroep handhaaft DCV Aruba haar stellingen en vordert zij inzage in bankafschriften om haar vordering te onderbouwen. Het Hof oordeelt dat het verzoek tot inzage niet bijdraagt aan de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] een verantwoordingsplicht heeft, omdat onvoldoende is toegelicht hoe deze stukken relevant zijn voor het primaire geschilpunt. Tevens kan DCV Aruba het bestaan van overmakingen aantonen via eigen bankgegevens.
Daarom wordt het verzoek afgewezen en wordt DCV Aruba veroordeeld in de proceskosten van het incident.
Uitkomst: Het verzoek tot inzage van bankafschriften wordt afgewezen wegens onvoldoende rechtmatig belang.