Uitspraak
1.[Appellant]h.o.d.n. DÉJÀ VU,
DÉJÀ VU N.V.,
1.Het verloop van de procedure
2.De ontvankelijkheid
3.De grieven
4.De feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
donderdag 3 juni 2021 om 14.00 uur;
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Het geschil betreft een vordering van PSB BANK N.V. tegen [Appellanten c.s.] tot betaling van een bedrag van NAf 1.142.859,45, voortvloeiend uit een overeenkomst over het gebruik van het betaalsysteem Pagafasil. De oorspronkelijke overeenkomst was gesloten tussen Pagafasil N.V. en [Appellant] als retail agent, waarbij later DV werd opgericht en betrokken raakte.
In hoger beroep betwisten [Appellanten c.s.] dat [Appellant] nog contractspartij is en stellen dat alleen DV contractspartij is geworden via contractsoverneming of doordat [Appellant] handelde namens de op te richten rechtspersoon DV. Het Hof analyseert de toepasselijke wettelijke bepalingen, waaronder artikel 6:159 BW Pro over contractsoverneming en artikel 2:6 BW Pro over rechtshandelingen namens een op te richten rechtspersoon.
Het Hof constateert dat voor contractsoverneming een akte vereist is die ontbreekt en dat PSB geen medewerking heeft verleend aan een stilzwijgende overdracht. Het handelen namens een op te richten rechtspersoon vereist dat dit voldoende kenbaar was voor PSB, hetgeen niet duidelijk is gesteld. Het Hof geeft [Appellanten c.s.] de gelegenheid om bewijs te leveren ter onderbouwing van hun stellingen.
Daarnaast wijst het Hof op het tekortschieten van [Appellanten c.s.] in het gedetailleerd en gedocumenteerd betwisten van de vordering in eerste aanleg en dat dit in hoger beroep niet is hersteld. Het Hof houdt verdere beslissing aan en bepaalt nadere bewijslevering en getuigenverhoor.
Uitkomst: Het Hof houdt de verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid bewijs te leveren over de contractsoverneming of het handelen namens de op te richten rechtspersoon.