Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De beoordeling
Afl. 2369,-
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak is het hoger beroep behandeld van de vader tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn minderjarige kind. De vader betaalde sinds de geboorte maandelijks 350 gulden, terwijl de moeder een verhoging naar 800 gulden vorderde. Het Hof heeft de behoefte van het kind vastgesteld op 700 gulden per maand, inclusief bijlessen.
De draagkracht van de moeder werd nihil geacht vanwege haar bijstandsuitkering en het ontbreken van inkomsten. De vader had een netto-inkomen van circa 5.732 gulden per maand na een inkomensvermindering door coronamaatregelen en huurverlaging. Na aftrek van vaste lasten en levensonderhoud resteerde een draagkracht van 1.374 gulden, waarvan een derde werd toegerekend aan het kind.
Het Hof bepaalde de bijdrage van de vader op 385 gulden per maand vanaf 15 juli 2021, exclusief een telefoonabonnement van 73 gulden dat de vader apart blijft betalen. Vanaf februari 2022, na het einde van de betalingsregeling en het abonnement, stijgt de bijdrage naar 490 gulden. De kosten van het geding worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: De bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige is vastgesteld op 385 gulden per maand vanaf 15 juli 2021, met een verhoging naar 490 gulden per maand vanaf februari 2022.