ECLI:NL:OGHACMB:2021:191

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
11 augustus 2021
Zaaknummer
CUR201601436 – CUR2019H00407
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 20 lid 2 aanhef en onder f Ltbzartikel 20 lid 7 Ltbzartikel 20 lid 3 Ltbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betonbouw Curaçao vordert vernietiging vonnis en betaling van griffierecht in hoger beroep

Betonbouw Curaçao is in hoger beroep gekomen tegen het eindvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, waarin zij oorspronkelijk verweerster was. Zij vordert onder meer dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat CRU niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen, dan wel dat deze worden afgewezen. Tevens vordert zij betaling van een geldsom en vergoeding van proceskosten.

CRU heeft het appel bestreden en verzocht het vonnis te bevestigen met veroordeling van Betonbouw in de kosten van het hoger beroep. Tijdens de procedure zijn pleitaantekeningen ingediend en is het geschil over de ontvankelijkheid en de hoogte van het griffierecht besproken.

Het Hof constateert dat Betonbouw een griffierechtnabetaling moet doen omdat het opgegeven belang bij de vordering hoger is dan het reeds betaalde griffierecht. Het Hof geeft Betonbouw de gelegenheid om deze nabetaling te verrichten en houdt iedere verdere beslissing aan tot na de rolzitting.

De uitspraak is gedaan door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 4 mei 2021.

Uitkomst: Betonbouw krijgt gelegenheid om het resterende griffierecht te voldoen; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:
Registratienummers: CUR201601436 – CUR2019H00407
Uitspraak: 4 mei 2021
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap
B.V. BETONBOUW CURAÇAO,
gevestigd te Curaçao,
hierna te noemen: Betonbouw,
oorspronkelijk verweerster in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie, thans appellante,
gemachtigden: mrs. T.L.H. Peeters en J.T. Frolijk,
tegen
de besloten vennootschap
CURAÇAO REFINERY UTILITIES B.V.,
gevestigd te Curaçao,
hierna te noemen: CRU,
oorspronkelijk eiseres in conventie en verweerster in voorwaardelijke reconventie, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. E.R. de Vries en M.Th. Aanstoot,

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), wordt verwezen naar de tussen partijen op 3 april 2017 en 4 december 2017 uitgesproken tussenvonnissen en het op 25 oktober 2019 uitgesproken eindvonnis.
1.2.
Betonbouw is bij akte van appel op 5 december 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemd eindvonnis. In een op 15 januari 2020 ingekomen memorie van grieven tevens vermeerdering van eis, met producties, heeft zij twee grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis vernietigt en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
in conventie:
CRU niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen;
in reconventie:
CRU zal veroordelen primair tot betaling aan haar van NAf 281.814,98 en subsidiair van NAf 247.797,83;
in conventie en reconventie:
CRU zal veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met nakosten ad NAf 250,- zonder betekening en NAf 400,- in geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis en zo niet, te vermeerderen mat de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis; en
CRU zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Betonbouw ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente.
1.3.
CRU heeft in een memorie van antwoord, met producties, het appel bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Betonbouw in de kosten van het hoger beroep.
1.4.
Op 13 oktober 2020, de voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, hebben de gemachtigden van partijen pleitaantekeningen overgelegd.
1.5.
Uitspraak is nader bepaald op heden.

2.De ontvankelijkheid

Betonbouw is tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep gekomen en kan daarin worden ontvangen.

3.De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4.Griffierecht

4.1.
Bij de indiening van de akte van hoger beroep heeft Betonbouw een geldelijk belang van NAf 104.017,15 opgegeven. Bij de indiening van de memorie van grieven heeft Betonbouw NAf 2.300,- aan griffierecht voldaan.
4.2.
Betonbouw vordert echter in hoger beroep (zie hiervóór rov. 1.2) in reconventie primair NAf 281.814,98 en (in conventie) terugbetaling van hetgeen Betonbouw ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan. Het Hof weet niet of de NAf 104.017,15, waartoe het Gerecht Betonbouw veroordeeld heeft, al door haar geheel of deels betaald is, maar voor zover niet, heeft Betonbouw een ‘direct geldelijk belang’ bij de vernietiging in conventie van de veroordeling.
4.3.
De griffier stelt zich op het standpunt dat in hoger beroep door Betonbouw daarom 2% van (281.814,98 + 104.017,15 =) NAf 385.832,13, i.e. afgerond NAf 7.720,- als griffierecht verschuldigd is (artikel 20 lid 2 aanhef Pro en onder f, in verbinding met lid 7, zo nodig in verbinding met lid 3, van het
Landsbesluit tarieven in burgerlijkzaken [Ltbz]).
4.4.
Betonbouw dient NAf (7.720 – 2.300 =) NAf 5.420,- na te betalen. Zij krijgt de gelegenheid een akte nabetaling griffierecht (P3) te nemen.
4.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.Beslissing

Het Hof:
- geeft Betonbouw de gelegenheid een akte nabetaling griffierecht te nemen;
- verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 1 juni 2021 (P3);
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, O. Nijhuis en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.