ECLI:NL:OGHACMB:2021:470

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
15 mei 2023
Zaaknummer
H 64/21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38f Wetboek van Strafrecht BES
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens zwaar lichamelijk letsel en openlijk geweld zonder voorbedachten rade

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verdachte was veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 voorwaardelijk, wegens zwaar lichamelijk letsel en openlijk geweld. Het Hof heeft het vonnis bevestigd, met uitzondering van de beslissing omtrent de schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Het Hof verbeterde enkele bewijsmiddelen en vulde de motivering aan met betrekking tot het ontbreken van voorbedachten rade. Uit het dossier en getuigenverklaringen bleek dat het incident zich in een korte tijdsperiode afspeelde, waarbij emoties hoog opliepen na een verkeersconflict. Hierdoor concludeerde het Hof dat verdachte en medeverdachte vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling handelden, waardoor het bewijs voor voorbedachten rade ontbrak.

Ten aanzien van de schadevergoeding stelde het Hof vast dat de materiële schade niet toewijsbaar was omdat verdachte van dat onderdeel was vrijgesproken. Voor immateriële schade werd een bedrag van $2.000 toegewezen, rekening houdend met de eigen rol van de benadeelde in het incident. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met de mededader. Het Hof legde geen schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat proceskosten ten laste van verdachte komen.

De strafmaat werd niet gewijzigd, waarbij het Hof de omstandigheden van het incident, waaronder het gevaarlijke rijgedrag van de benadeelde, in het voordeel van verdachte heeft meegewogen. Het vonnis werd uitgesproken op 22 december 2021 in aanwezigheid van de griffier en met directe verbinding met Bonaire en Curaçao.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd zonder voorbedachten rade; immateriële schadevergoeding van $2.000 toegewezen aan benadeelde.

Uitspraak

Zaaknummer: H 64/21

Parketnummer : 200.00006/20
Uitspraak : 22 december 2021 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, (hierna: het Gerecht) van 8 april 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats],
wonende op [woonplaats], [adres]
thans gedetineerd in het huis van bewaring op [locatie].
Hoger beroep
Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde].
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.
Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,
mr. R.H. den Haan, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. S.H.M. Ibrahim, naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen de gemachtigde van de benadeelde partij [benadeelde partij, hierna; benadeelde] in het kader van zijn vordering tot schadevergoeding naar voren heeft gebracht.
De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad ten aanzien van feit 1 primair, zal bevestigen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. In het verlengde daarvan heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het Hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het Hof:
  • de bewijsmiddelen 4 en 7 verbetert;
  • de motivering ten aanzien van de vrijspraak van voorbedachten rade aanvult;
  • de strafmotivering aanvult.
Verbetering bewijsmiddelen
Het Gerecht heeft in bewijsmiddel 4 opgenomen:
“Met [naam 1] bedoel ik de jongen die in de kleine zwarte auto rijdt.”
Het Hof verbetert die zin als volgt:
“Met [naam 1] bedoel ik de jongen die in de kleine zwarte auto rijdt (het Hof begrijpt: de verdachte).”
Het Gerecht heeft in bewijsmiddel 7 opgenomen:
“Naast [naam 1] waren nog twee mensen aanwezig.”
Het Hof verbetert die zin als volgt:
“Naast [naam 1] waren vermoedelijk nog twee mensen aanwezig.”
Aanvullende bewijsoverweging voorbedachten rade
In dit verband heeft het Gerecht als volgt overwogen:
“Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is het Gerecht van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Uit het dossier komt veeleer het beeld naar voren dat in de nacht in kwestie ruzie is ontstaan tussen verdachten en aangever en dat verdachten gedreven door emotie achter aangever zijn aangegaan en geweld hebben aangewend. Het Gerecht zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde voorbedachte raad.”
Het Hof vult deze motivering als volgt aan:
De verdachte was op 18 januari 2020 samen met de medeverdachte bij club [club]. De aangever reed volgens getuige [getuige] dusdanig gevaarlijk in zijn auto dat mensen opzij moesten springen om hem te ontwijken. [1] De verdachte en de medeverdachte wilden de aangever [benadeelde] aanspreken op zijn rijgedrag, maar die reed met hoge snelheid weg. Vervolgens zijn de verdachte en de medeverdachte achter de aangever aangereden en uit hun auto gestapt en heeft de medeverdachte met een machete op de autoruit van de auto van de aangever geslagen. De aangever is hierna weggereden en heeft hierbij de verdachte geraakt, die door deze klap op de grond terecht is gekomen. [2] De verdachte is vervolgens bij de medeverdachte in de auto gestapt en zij zijn wederom achter de aangever aangereden. Bij Sint Johns zijn zij allemaal gestopt en uit hun auto’s gestapt en heeft de medeverdachte de aangever met een machete mishandeld.
De hierboven genoemde gebeurtenissen vonden plaats binnen een tijdsbestek van ongeveer tien minuten. Het Hof ziet in deze korte tijdspanne een escalatie van gebeurtenissen waarbij de emoties van de verdachte en de medeverdachte sterk lijken toe te nemen, met name doordat de verdachte werd aangereden door het slachtoffer en hij door deze klap op de grond terechtkwam. Naar de uiterlijke verschijningsvorm hiervan hebben de verdachte en de medeverdachte vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling gehandeld, hetgeen een contra-indicatie is voor voorbedachten rade. Derhalve schiet het bewijs tekort voor voorbedachten rade.
Aanvullende strafmaatoverweging
Het Hof betrekt bij de bepaling van de hoogte van de straf in het voordeel van de verdachte de omstandigheid dat de aangever zich in onderhavige zaak niet onbetuigd heeft gelaten. Uit het dossier volgt dat de aangever in de omgeving van een uitgaansgelegenheid met hoge snelheid reed in zijn auto, met alle risico’s van dien voor de toen aanwezige omstanders. De verdachte en de medeverdachte wilden hem daarop aanspreken. De verdachte en de medeverdachte zijn de aangever achterna gereden. Uiteindelijk is de verdachte daarbij door de auto van de aangever geraakt en kwam hij op de grond terecht. Deze omstandigheden zijn de directe aanleiding tot het incident geweest. Naar oordeel van het Hof heeft het Gerecht deze omstandigheden voldoende verdisconteerd in de strafmaat.
Schadevergoeding
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt
$ 4.713,51, bestaande uit $ 1.140,60 aan materiële schade en $ 3.572,91 aan immateriële schade.
Ter zake van de gevorderde materiële schade heeft het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in diens vordering. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van $ 3.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft de vordering betwist.
Ten aanzien van de materiële schade is het Hof met het Gerecht van oordeel dat deze kosten zien op de reparatiekosten van de vernielde autoruit waardoor de schade zou zijn veroorzaakt. De verdachte is van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken, waardoor de benadeelde partij in dit deel van zijn vordering niet kan worden ontvangen.
Met betrekking tot de immateriële schade is het Hof uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Het Hof begroot deze – anders dan het Gerecht – op een bedrag van $ 2.000,-. Het Hof heeft hierin meegewogen de eigen rol van de aangever in het incident.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Het Hof ziet geen aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 38f van het Wetboek van Strafrecht BES aan de verdachte op te leggen.
De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.

BESLISSING

Het Hof:
vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de in dat verband opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade toe tot een bedrag van
$ 2.000,- (zegge: tweeduizend Amerikaanse dollar)ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat hij deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;
bevestigt het vonnis van het Gerecht voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit vonnis is gewezen door mrs. S.A. Carmelia, M.C.B. Hubben en S. Verheijen, leden van het Hof, bijgestaan door mr. I.M. Sinon, zittingsgriffier, en op 22 december 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao, met een directe beeld- en geluidsverbinding met de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland op Bonaire en het kantoor van de procureur-generaal in Curaçao.
uitspraakgriffier:
mrs. Carmelia, Verheijen en Sinon zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 22 januari 2020, pagina 131 einddossier.
2.Proces-verbaal van bevindingen waarnemingen camerabeelden ‘My store’ d.d. 18 januari 2020, pagina 219 e.v. einddossier.