Uitspraak
Sint Eustatius en Saba van 14 augustus 2019 in zaak nrs. BON201700503, BON201700504, BON201700505 in het geding tussen:
Verder betogen het Bestuurscollege en Harbour Village dat het Gerecht ten onrechte ook de bouw- en aanlegvergunning heeft vernietigd. Die vergunningen hebben een eigen toetsingskader en staan in zoverre los van de natuurvergunning. Volgens het Bestuurscollege voldoen de bouw- en aanlegvergunning aan de daarvoor gestelde eisen in de Bouw- en woningverordening BES en het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Bonaire.
Indien deze betogen niet slagen, dan betogen het Bestuurscollege en Harbour Village dat het Gerecht de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand had moeten laten omdat uit de verschillende overgelegde milieuonderzoeken blijkt dat de vergunde activiteiten toelaatbaar zijn binnen de wet- en regelgeving en het project alleen maar positieve effecten heeft. Ook zijn in de milieuonderzoeken analyses opgenomen van hydrologische, natuur- en milieuaspecten en alternatieven, aldus het Bestuurscollege en Harbour Village.
Is de natuurvergunning terecht vernietigd?
De voor de Saliña opgestelde richtlijnen hebben uitsluitend en specifiek betrekking op de voorgenomen ontwikkeling, het creëren van een permanent waterpeil in de Saliña. Met richtlijnen in artikel 21, derde lid, onder d, van het Besluit zijn echter richtlijnen van algemene strekking bedoeld, die gekoppeld zijn aan de activiteiten vermeld in het eerste lid. Het Hof verwijst in dit verband naar het door het Bestuurscollege overgelegde advies van het Openbaar Lichaam Bonaire van 20 juli 2015 over het aanpassen van het Besluit inzake de MER-plicht. Dat advies heeft onder meer tot toevoeging van onderdeel d in artikel 21, derde lid, van het Besluit geleid. Daarin is vermeld dat het al praktijk is dat als een activiteit overeenkomstig de door het Bestuurscollege opgestelde richtlijnen wordt uitgevoerd, zoals de richtlijnen voor de aanleg van kunstmatige stranden en de bouw van ecolodges, geen MER nodig wordt bevonden en dat het wenselijk is deze praktijk vast te leggen in het Besluit.
De in dat advies genoemde richtlijnen zijn, anders dan de richtlijnen voor de Saliña, algemeen en bij herhaling toepasbaar en hebben betrekking op vaker voorkomende activiteiten. Ook zijn eerstgenoemde richtlijnen als bijlage bij het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Bonaire gevoegd. Gelet hierop geeft de door het Bestuurscollege gestelde omstandigheid, dat de richtlijnen voor de Saliña voorafgaand aan de vergunningsaanvraag zijn opgesteld, onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van richtlijnen in de zin van het Besluit. De niet onderbouwde verwijzing naar hoofdstuk 7 van de Wet Vrom BES geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
Gelet op het voorgaande kon niet met toepassing van artikel 21, derde lid, onder d, van het Besluit af worden gezien van de MER-plicht. Omdat de aanvraag voor de natuurvergunning niet vergezeld was van een MER, terwijl dat op grond van artikel 21, tweede lid, van het Besluit, in samenhang gelezen met artikel 16, tweede lid, van de Verordening wel vereist was, heeft het Bestuurscollege niet in redelijkheid kunnen besluiten de aanvraag in behandeling te nemen en daar positief op te beslissen. Het Gerecht heeft de natuurvergunning dan ook terecht, zij het op andere gronden, vernietigd. Het betoog slaagt niet.
Op grond van artikel 22 van Pro de Bwv kan het verlenen van een voorwaardelijke bouwvergunning of tot gehele of gedeeltelijke weigering slechts gegrond zijn op de in dat artikel vermelde omstandigheden. Dit geldt ook voor de aanlegvergunning. Op grond van artikel 50.3.2 van het ROB kan het Bestuurscollege de aanlegvergunning alleen verlenen als de waterbergingsfunctie en de ecologische waarden van het gebied niet worden aangetast.
Ter zitting is vast komen te staan dat bij de aanvraag twee rapporten zijn overgelegd waaraan verschillende onderzoeken ten grondslag liggen. Deze rapporten zijn "Milieurapport Saliña di Vlijt" van EcoVision van 11 maart 2013 en "Onderbouwing integraal Saliña watermanagement plan" van Witteveen+Bos van 13 mei 2015. Deze rapporten zijn, zoals ook door het Bestuurscollege ter zitting bevestigd, geen milieueffectrapporten in de zin van annex II van het Besluit. Dat ook nog nadere reacties zijn overgelegd die betrokken zijn bij de beoordeling van de vergunningaanvraag en dat de milieugevolgen zijn onderzocht en beoordeeld, laat onverlet dat bij de vergunningaanvraag geen MER in de zin van annex II van het Besluit is overgelegd. Het Gerecht heeft daarom terecht geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
Gronden van beroep van Stinapa
De aanlegvergunning is verleend voor het creëren van een permanent waterpeil in de Saliña. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Dat in de aanhef van de vergunning onder meer is vermeld dat de aanvraag ontgronding en beheer van een diabaasgroeve betreft, berust, zoals het Bestuurscollege ook stelt, op een kennelijke verschrijving. In de aanvraag van Harbour Village is geen diabaasgroeve vermeld en dat is ook niet opgenomen als vergunde aanlegactiviteit. Ook ziet het Hof in de enkele stelling van Stinapa, dat in de vergunning de planregel behorende bij de bestemming "Agrarisch - Kunuku" is genoemd, geen grond voor het oordeel dat de vergunning aan een verkeerd bestemmingsplanvoorschrift is getoetst. In de aanvraag en vergunning is vermeld dat het gronden betreft die binnen de bestemmingen "Water - Saliña" en "Gemengd - 1" liggen. Niet gebleken is dat het Bestuurscollege de aanvraag aan de voorschriften behorende bij de bestemming "Agrarisch - Kunuku" heeft getoetst. Verder ziet het Hof in de niet onderbouwde stelling van Stinapa, dat voor het plaatsen van riprap ook een bouwvergunning had moeten worden verleend, geen grond voor het oordeel dat de bouwvergunning onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt niet.
Ingevolge artikel 50.1 van de planregels zijn de als "Water - Saliña" bestemde gronden bestemd voor waterbergingen en het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van ecologische waarden.
Ingevolge artikel 50.2, lid 50.2.2, mogen er alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het beheer van het gebied worden gebouwd, en mogen die bouwwerken niet hoger zijn dan 3 meter.
Ingevolge artikel 50.3 mogen werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de waterkwaliteit en het aanleggen van vlonders en steigers niet zonder vergunning worden verricht. De vergunning kan alleen worden verleend als de waterbergingsfunctie en de ecologische waarden van het gebied niet worden aangetast.
Anders dan bij de bouwvergunning bepaalt artikel 50.3, lid 50.3.2, van de planregels dat een aanlegvergunning alleen verleend kan worden als de waterbergingsfunctie en de ecologische waarden van het gebied niet worden aangetast. Derhalve is in het kader van de aanlegvergunning van belang of de activiteiten schade zullen toebrengen aan de ecologische waarden. Daarover heeft het Bestuurscollege in de nota van beantwoording uiteengezet dat aan de vergunningverlening verscheidene onderzoeken ten grondslag liggen waarin de gevolgen voor de natuurwaarden en de waterbergingsfunctie zijn onderzocht op basis van algemeen aanvaarde methodieken. De conclusie van die onderzoeken is dat de aanlegactiviteiten een verbetering opleveren voor de aanwezige natuurwaarden, met uitzondering van het plaatsen van riprap, maar dat heeft geen gevolgen voor de waarde van macrofauna, zoals flamingo's en steltlopers. Ook het natuurlijk waterbergend vermogen van de Saliña wordt als gevolg van de beoogde activiteiten beter benut dan in de huidige situatie, aldus het Bestuurscollege. Gelet hierop heeft het Bestuurscollege zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de waterbergingsfunctie en ecologische waarden van het gebied niet worden aangetast als gevolg van de aanlegactiviteiten. Dat de Commissie Natuurbeheer Bonaire zich in haar advies kritisch heeft uitgelaten over de uitgevoerde onderzoeken, leidt niet tot een ander oordeel. Dat advies is gegeven in het kader van de natuurvergunning als bedoeld in artikel 21 van Pro het Besluit in samenhang gelezen met artikel 16 van Pro de Verordening. Dat is een ander toetsingskader dan neergelegd in artikel 50.3 van het ROB.
Gelet op het voorgaande heeft het Bestuurscollege zich terecht op het standpunt gesteld dat zich voor de bouw- en aanlegvergunning geen weigeringsgronden voordeden en dientengevolge kon het Bestuurscollege niet anders dan de gevraagde bouw- en aanlegvergunning te verlenen. Het betoog slaagt niet.
verklaartde hoger beroepen
gegrond;
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 14 augustus 2019 in zaak nrs. BON201700503, BON201700504, BON201700505;
verklaarthet in die zaken ingestelde beroep
gegrond;
vernietigtde beschikking van het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire van 9 december 2016, kenmerk nr.10, archief nr. 2016011518, waarbij aan Harbour Village Development B.V. een natuurvergunning is verleend voor bepaalde aanlegactiviteiten;
V.gelast de teruggave van het voor de hoger beroepen gestorte griffierecht.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsvoorschriften[…]Artikel 50: Water Pro - Saliña