De minister van Justitie heeft op 29 september 2021 de inbewaringstelling van een minderjarige bevolen ter verzekering van diens uitzetting. De rechter-commissaris heeft deze maatregel op 4 oktober 2021 rechtmatig geacht. Tegen deze beslissing heeft de wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof.
De appellant stelde dat het appèlverbod doorbroken moest worden omdat de rechter-commissaris de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind buiten toepassing had gelaten en onvoldoende rekening had gehouden met het verzoek van de minderjarige om internationale bescherming. Het Hof oordeelde echter dat het hoger beroep niet ontvankelijk is omdat artikel 53a van de Landsverordening administratieve rechtspraak geen hoger beroep tegen deze beslissing toestaat, tenzij sprake is van fundamentele schendingen van rechtsbeginselen.
Het Hof stelde vast dat de rechter-commissaris de inbewaringstelling heeft getoetst aan de relevante verdragsbepalingen en dat er geen sprake was van een schending van fundamentele rechtsbeginselen. De bezwaren van appellant betroffen vooral de waardering van feiten en omstandigheden, wat geen grond is voor doorbreking van het appèlverbod. Daarom verklaarde het Hof zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees het verzoek af.