Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarige uit hun huwelijk. Het Gerecht in eerste aanleg bepaalde de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man en stelde een zorgregeling met de vrouw vast. Inmiddels zijn beide partijen met de minderjarige teruggekeerd naar de Verenigde Staten, waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft.
De man heeft daarom een beroep gedaan op de onbevoegdheid van het Hof om nog over deze zaken te oordelen. Het Hof overweegt dat volgens het perpetuatio fori-beginsel de rechter in beginsel bevoegd is op het moment van tussenkomst, maar dat uitzonderingen gelden, onder meer bij gezags- en omgangsrechten, zoals geregeld in het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
Omdat de Verenigde Staten geen partij zijn bij dit verdrag en het kind zijn gewone verblijfplaats daar heeft, kan het Hof zich geen goed beeld vormen van de belangen van de minderjarige en laat het het perpetuatio fori-beginsel buiten toepassing. Het Hof verklaart zich daarom onbevoegd voor de hoofdverblijfplaats en zorgregeling.
Voor de alimentatieverzoeken geldt het perpetuatio fori-beginsel wel, maar het Hof acht zich niet in staat hierover te beslissen zolang de hoofdverblijfplaats en zorgregeling in handen zijn van de bevoegde Amerikaanse rechter en de inkomenssituatie is gewijzigd. Het Hof verstaat dat de Amerikaanse rechter deze kwesties zal behandelen.
Er wordt geen kostenveroordeling opgelegd. Het Hof verklaart zich dus onbevoegd voor de hoofdverblijfplaats en zorgregeling en verwijst naar de bevoegde Amerikaanse rechter voor verdere beslissingen.