Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2023:131

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 juli 2023
Publicatiedatum
20 juli 2023
Zaaknummer
CUR2023H00188
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 272 RvHR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vonnis over onrechtmatige onderwijsfinanciering op Curaçao

De Vereniging voor Protestants Christelijk Onderwijs op Curaçao (VPCO) stelde het Land Curaçao aansprakelijk wegens onrechtmatige financiering van het onderwijs. Het Gerecht in eerste aanleg stelde VPCO grotendeels in het gelijk en veroordeelde het Land tot aanpassing van de bekostigingsmethodiek en betaling van een voorschot.

Het Land ging in hoger beroep en verzocht het Gemeenschappelijk Hof om de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen gedurende het hoger beroep. VPCO verzette zich hiertegen, met het oog op de uitvoerbaarheid van het vonnis.

Het Hof oordeelde dat VPCO onvoldoende gelegenheid had gehad om te reageren op nieuwe producties van het Land en liet deze buiten beschouwing. Het Hof overwoog dat het bestreden vonnis niet berust op een kennelijke misslag en dat het hoger beroep de bezwaren kan behandelen.

Bij de belangenafweging gaf het restitutierisico voor het Land, dat betalingen mogelijk niet terugkrijgt indien het hoger beroep slaagt, de doorslag. Daarom werd de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De beslissing over de proceskosten blijft aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummers: CUR201701839 – CUR2023H00188
Uitspraak: 10 juli 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
op de vordering tot schorsing op de voet van art. 272 Rv Pro van:
de openbare rechtspersoon
HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde, thans appellant,
eiser tot schorsing,
gemachtigden: mrs. W.R. Flocker en S.S.J. Vierbergen,
tegen
de vereniging
VERENIGING VOOR PROTESTANTS CHRISTELIJK ONDERWIJS OP CURAÇAO,
gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
verweerster tegen de vordering tot schorsing,
gemachtigde: mr. M.R.B. Gorsira.
Partijen worden hierna het Land en VPCO genoemd.

1.De zaak in het kort

VPCO verzorgt onderwijs in Curaçao. Zij is van mening dat het Land onrechtmatig jegens haar handelt bij de financiering van dat onderwijs. Daarom heeft zij het Land voor de rechter gebracht. Bij vonnis van 6 februari 2023 heeft het Gerecht VPCO grotendeels in het gelijk gesteld. Het vonnis van het Gerecht is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:OGEAC:2023:11. Het Land is tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan. In deze schorsingsprocedure vordert het Land dat het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis van het Gerecht schorst voor de duur van het hoger beroep. Het Hof wijst de schorsingsvordering toe op basis van een belangenafweging, zonder vooruit te lopen op de uitkomst van het hoger beroep.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 17 maart 2023 ingekomen akte van appel is het Land in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 6 februari 2023 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).
2.2
Op 20 maart 2023 heeft ook VPCO hoger beroep ingesteld van het hiervoor genoemde vonnis. Bij memorie van grieven van 28 april 2023 heeft VPCO haar eis gewijzigd.
2.3
Bij op 14 juni 2023 ingekomen verzoekschrift, met producties, heeft het Land gevorderd, verkort weergegeven, dat het Hof de tenuitvoerlegging van het vonnis zal schorsen en dat het Hof VPCO zal verbieden om executiemaatregelen te treffen totdat het Hof op de schorsingsvordering zal hebben beslist.
2.4
Bij op 23 juni 2023 ingekomen verweerschrift, met producties, heeft VPCO geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van het Land, met veroordeling van het Land – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten, met nakosten en rente.
2.5
Op 30 juni 2023 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend. Daags tevoren heeft het Land producties 12 tot en met 25 toegezonden.
2.6
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

3.1
VPCO heeft onvoldoende gelegenheid gehad zich te verweren tegen de inhoud van de producties 12 tot en met 25 van het Land. Het Hof laat deze producties daarom buiten beschouwing wegens strijd met de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor.
3.2
VPCO verzorgt onderwijs op Curaçao. In dit geding heeft zij vorderingen tegen het Land ingesteld op grond van haar standpunt dat het Land bij de bekostiging van dat onderwijs onrechtmatig jegens haar handelt.
3.3
In het bestreden vonnis heeft het Gerecht de volgende dicta uitgesproken:
Het Gerecht:
3.1.
beveelt het Land om, binnen een termijn van zes (6) maanden na de dag van deze uitspraak, over te gaan tot aanpassing van de tarieven en normen gebruikt in de bekostigingsmethodiek onderwijs en deze vast te stellen op een bedrag dat toereikend is om het onrechtmatig handelen van het Land jegens VPCO, weg te nemen als bedoeld in r.o. 2.7.;
3.2.
veroordeelt het Land om aan VPCO, ter voorkoming van verdere schade bij wijze van voorschot, te betalen het bedrag van NAf 2.236.757 per schooljaar, ingaande het schooljaar 2023/2024, en dit bedrag per schooljaar te blijven betalen indien en voor zover de aanpassing als bedoeld in 3.1. nog niet heeft plaatsgevonden;
3.3.
verwijst de zaak voor vaststelling van eventuele schade als bedoeld in
r.o. 2.9. naar de schadestaatprocedure;
3.4.
veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van VPCO en tot op heden begroot op NAf 7.500 aan griffierechten, NAf 578,50 aan deurwaarderskosten en NAf 33.000 aan gemachtigdensalaris;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
3.4
Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing, al dan niet onder voorwaarden, gelden de maatstaven als vermeld in HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel).
3.5
Het Hof laat in dit stadium de kans van slagen van het hoger beroep van het Land buiten beschouwing. Thans wordt volstaan met het oordeel dat het bestreden vonnis niet berust op een kennelijke misslag. Voor het overige kunnen de bezwaren van het Land tegen het bestreden vonnis in het hoger beroep aan de orde komen. Daarop loopt het Hof thans niet vooruit.
3.6
Beoordeeld dient te worden of het belang van het Land bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van VPCO bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis.
3.7
Voor beide partijen geldt dat voldoende aannemelijk is dat zij groot belang hebben bij de bescherming van hun financiële positie en dat zij aantasting daarvan moeilijk kunnen dragen. Voor het Land komt daar het restitutierisico bij, dus het risico dat het Land betalingen die het uit hoofde van het bestreden vonnis doet, later niet zal kunnen terugkrijgen, in het bijzonder niet indien na die betalingen door het Land het hoger beroep slaagt en er dus geen rechtsgrond voor die betalingen blijkt te zijn. Dit laatste geeft bij de belangenafweging de doorslag ten gunste van het Land. Daarom zal het Hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis schorsen.
3.8
De beslissing over de kosten van deze schorsingsprocedure zal worden aangehouden tot de einduitspraak in het hoger beroep.
3.9
Er bestaat nu geen belang meer bij een beoordeling van de vordering van het Land om VPCO te verbieden om executiemaatregelen te treffen totdat het Hof op de schorsingsvordering zal hebben beslist.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor de duur van het hoger beroep;
houdt de beslissing over de proceskosten aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, W.J. Geurts-de Veld en C.G. ter Veer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 10 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.